Samenvatting I&M Gedragswetenschappen jaar 1
Week 1
Psychologie een inleiding: §1.1.3 en H2 p.41-82 (bio psychologie)
Psychologie:
- Psyche = geest
- Logos = gebied van studie
Psychologie: een wetenschap waarbij gedrag bestudeerd wordt en waarbij gedragsuitingen
gebruikt worden om de interne processen die gekoppeld zijn aan gedrag te begrijpen
1. Humanistische psychologie:
o Uniciteit; ieder mens is uniek
o Persoonlijke groei
o Vrije wil
o Bewuste ervaring
2. Cognitieve psychologie:
o Cognitie; manier van denken
o Actieve betekenisgeving
o Informatieverwerking
o Schema’s
3. Socioculturele psychologie:
o Bredere sociale context; gedrag wordt beïnvloed door de omgeving
Bio psychologie
Bio psychologie; bestudeert de interactie tussen biologie, gedrag en de omgeving
Evolutie: het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat
deze soort zich succesvol aanpast aan zijn omgeving
Door evolutie vergroot het individu zijn kans op overleving en voortplanting
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat het universum en al het leven
op aarde (planten, dieren en mensen) hun ontstaan te danken hebben aan een
bijzondere (goddelijke) schepping
Natuurlijke selectie: de omgeving ‘selecteert’ de best aangepaste organismen
(natuurlijke selectie is de drijvende kracht achter evolutie)
De bio psychologie bestudeert gedrag op biologisch niveau (evolutie en genetica, fysiologie
en anatomie), psychologisch niveau en sociaal niveau
Aangeboren vs. aangeleerd gedrag
Instinctief handelen
Invloed van de evolutie op gedrag
Aanpassen is overleven
Aangeboren gedrag bij mensen;
- Gebruik van taal (communicatie)
- Sociale interactie
- Behoefte aan aandacht (huilen!!)
- Veiligheid
, Lichamelijke kwaliteiten die invloed hebben op je gedrag;
- Intelligentie
- Persoonlijkheid (vechter/vluchter?)
Omstandigheden passen gedrag aan (bijvoorbeeld voedsel, rust, niet hoeven vluchten)
Neuropsychologie
Communicatie in het lichaam wordt geregeld door 2 interne signaalsystemen van het
lichaam:
Zenuwstelsel; opgebouwd uit neuronen
Endocriene stelsel (hormoonstelsel); opgebouwd uit klieren
Deze twee signaalsystemen zijn de biologische basis voor al onze gedachten, emoties en
gedragingen.
Een neuron (zenuwcel) is een cel die informatie ontvangt en doorstuurt naar andere cellen in
het lichaam;
Sensorisch (afferente) neuron: zenuwcel die boodschappen van sensorische
receptoren naar het CZS (centrale zenuwstelsel) geleidt
Motorisch (efferente) neuron: zenuwcel die boodschappen van het CZS naar de
spieren en/of klieren geleidt
Zorgen voor aansturing en instructie
Schakelcel (schakelneuron): zenuwcel die boodschappen van de ene naar de andere
neuron/zenuwcel doorgeeft (komt vooral voor in de hersenen en in het ruggenmerg)
Zorgt voor reflexen (eenvoudige, niet aangeleerde respons die wordt opgeroepen
door een stimulans; bijvoorbeeld de kniereflex)
Waarneming prikkeloverdracht (zintuigen en zenuwstelsel nemen prikkels waar en geven
deze door beoordeling en interpretatie) reactie
Waarnemingszenuwen: afferente, sensorische neuronen die de zintuiglijke waarneming
regelen;
- Zien
- Horen
- Ruiken
- Voelen (pijn)
- Proeven
- Balans (plaats in de ruimte)
Week 1
Psychologie een inleiding: §1.1.3 en H2 p.41-82 (bio psychologie)
Psychologie:
- Psyche = geest
- Logos = gebied van studie
Psychologie: een wetenschap waarbij gedrag bestudeerd wordt en waarbij gedragsuitingen
gebruikt worden om de interne processen die gekoppeld zijn aan gedrag te begrijpen
1. Humanistische psychologie:
o Uniciteit; ieder mens is uniek
o Persoonlijke groei
o Vrije wil
o Bewuste ervaring
2. Cognitieve psychologie:
o Cognitie; manier van denken
o Actieve betekenisgeving
o Informatieverwerking
o Schema’s
3. Socioculturele psychologie:
o Bredere sociale context; gedrag wordt beïnvloed door de omgeving
Bio psychologie
Bio psychologie; bestudeert de interactie tussen biologie, gedrag en de omgeving
Evolutie: het geleidelijke proces van biologische verandering van een soort doordat
deze soort zich succesvol aanpast aan zijn omgeving
Door evolutie vergroot het individu zijn kans op overleving en voortplanting
Creationisme: de religieus geïnspireerde opvatting dat het universum en al het leven
op aarde (planten, dieren en mensen) hun ontstaan te danken hebben aan een
bijzondere (goddelijke) schepping
Natuurlijke selectie: de omgeving ‘selecteert’ de best aangepaste organismen
(natuurlijke selectie is de drijvende kracht achter evolutie)
De bio psychologie bestudeert gedrag op biologisch niveau (evolutie en genetica, fysiologie
en anatomie), psychologisch niveau en sociaal niveau
Aangeboren vs. aangeleerd gedrag
Instinctief handelen
Invloed van de evolutie op gedrag
Aanpassen is overleven
Aangeboren gedrag bij mensen;
- Gebruik van taal (communicatie)
- Sociale interactie
- Behoefte aan aandacht (huilen!!)
- Veiligheid
, Lichamelijke kwaliteiten die invloed hebben op je gedrag;
- Intelligentie
- Persoonlijkheid (vechter/vluchter?)
Omstandigheden passen gedrag aan (bijvoorbeeld voedsel, rust, niet hoeven vluchten)
Neuropsychologie
Communicatie in het lichaam wordt geregeld door 2 interne signaalsystemen van het
lichaam:
Zenuwstelsel; opgebouwd uit neuronen
Endocriene stelsel (hormoonstelsel); opgebouwd uit klieren
Deze twee signaalsystemen zijn de biologische basis voor al onze gedachten, emoties en
gedragingen.
Een neuron (zenuwcel) is een cel die informatie ontvangt en doorstuurt naar andere cellen in
het lichaam;
Sensorisch (afferente) neuron: zenuwcel die boodschappen van sensorische
receptoren naar het CZS (centrale zenuwstelsel) geleidt
Motorisch (efferente) neuron: zenuwcel die boodschappen van het CZS naar de
spieren en/of klieren geleidt
Zorgen voor aansturing en instructie
Schakelcel (schakelneuron): zenuwcel die boodschappen van de ene naar de andere
neuron/zenuwcel doorgeeft (komt vooral voor in de hersenen en in het ruggenmerg)
Zorgt voor reflexen (eenvoudige, niet aangeleerde respons die wordt opgeroepen
door een stimulans; bijvoorbeeld de kniereflex)
Waarneming prikkeloverdracht (zintuigen en zenuwstelsel nemen prikkels waar en geven
deze door beoordeling en interpretatie) reactie
Waarnemingszenuwen: afferente, sensorische neuronen die de zintuiglijke waarneming
regelen;
- Zien
- Horen
- Ruiken
- Voelen (pijn)
- Proeven
- Balans (plaats in de ruimte)