HODD24 Immunologie
Les 1 Inleiding
Inhoud les 1
Ziekte: oorzaak of risicofactor.
Naamgeving van ziektes.
Termen en definities.
Ziekte-overdracht.
Inleiding
Gezondheid:
o Een evenwicht, zowel binnen in het lichaam, als tussen het lichaam en zijn omgeving.
Ziekte:
o Uit evenwicht zijn van het lichaam; zich bevinden in een toestand waarin de
levensprocessen niet regelmatig verlopen.
Ziekte: oorzaak of risicofactor
Oorzaak:
o Verwekker.
o Bijvoorbeeld: bacteriën, mijten, virussen.
o Maar ook: vuur is de verwekker van brandwonden.
Risicofactor:
o Omstandigheid die de kans op ziekte vergroot.
o Bijvoorbeeld: ondervoed zijn, tocht, hygiëne.
Risicofactoren
Zijn zelf geen oorzaak van ziekte.
Vergroten wel de kans op ziekte.
Vrijwel altijd terug te voeren op weerstandsvermindering.
Beide?
Voorbeeld voeding:
o Slechte voeding kan een risicofactor zijn; het maakt een dier gevoeliger voor
bijvoorbeeld bacteriële- of virusinfecties, omdat slechte voeding voor een lagere
weerstand zorgt.
o Slechte voeding kan ook een oorzaak zijn van ziekte; bijvoorbeeld taurine tekort bij
katten geeft onomkeerbare bindweefselschade -> hartklachten, oogklachten, enz.
Oefening: oorzaak of risicofactor?
1. Tocht en vocht zijn risicofactoren voor verkoudheid.
2. Parvovirus is een oorzaak van diarree.
3. Slechte voeding is een oorzaak én risicofactor van/voor haaruitval.
4. Tandplak is een risicofactor voor tandvleesontsteking.
5. Helicobacter-bacterie is een oorzaak van maagzweren.
6. UV-straling is een oorzaak van verbrande huid.
7. Slechte hygiëne is een risicofactor voor diarree.
8. Onveilige seks is een risicofactor voor AIDS.
,Indeling ziekten naar oorzaak
Toelichtingen
Blauw:
o Risicofactoren die een ziekte kunnen veroorzaken.
Rood:
o Biologische oorzaken; zijn dus de oorzaak van ziektes.
o Parasieten:
Dierlijke verwekkers verzamelnaam.
o Protozoën:
Eencellige dierlijke ziekteverwekkers.
Oranje:
o Factorenziekte; verschillende risicofactoren en verwekkers samen bepalen of een
ziekte wel of niet tot uiting komt.
o Elk in hun eentje geeft geen ziekte.
Indeling ziekten naar ontstaansmechanisme
Besmettelijke ziekten (= infectieziekten).
Degeneratieve ziekten ('slijtage').
Nieuwvormingsziekten ('tumoren' of 'wratje').
Aangeboren ziekten (kan erfelijk zijn, hoeft niet).
Stofwisselingsziekten (intracellulair enzymprobleem of hormoonprobleem).
Auto-immuun ziekten (afweersysteem valt lichaamseigen weefsel aan).
Naamgeving ziekten
Latijnse namen:
o -itis = ontsteking.
o -ose= verandering ter gevolge van een andere oorzaak zijnde niet ontsteking.
o Bijvoorbeeld:
Artritis = gewrichtsontsteking.
, Artrose = gewrichtsslijtage.
Naamgeving:
o Naam van de ontdekker.
o Nederlandse namen.
o Streekgebonden namen:
Het licht staat erop = de nageboorte is er niet goed afgekomen.
Inleiding ziekteverloop
Acuut:
o Ziekte ontstaat plotseling, en/of kort en hevig verloop (ziek binnen enkele uren tot 1-
2 dagen):
Subacuut = iets trager dan acuut.
Peracuut = zeer snel verloop, 'gillende spoed'.
Chronisch:
o Langdurig en/of slopend verloop (weken tot maanden, soms levenslang).
Intermitterend:
o Symptomen gaan steeds een tijdje weg en komen dan weer terug; 'gaat op en neer'.
Infectieziekten; termen 1
Besmetting (contaminatie):
o Overdracht van smetstof, onafhankelijk van de vraag of deze overdracht gevolgd
wordt door vermeerdering van de smetstof of een reactie van het besmette organisme.
Infectie:
o De vermeerdering van de verwekker in de gastheer en daarop volgende reactie van
het lichaam van de gastheer:
Klinisch = zichtbaar ziek; infectie die met klinische verschijnselen gepaard
gaat.
Subklinisch = niet zichtbaar ziek; infectie zonder waarneembare
verschijnselen.
Infectieziekten; termen 2
Pathogeen:
o Ziekteverwekker (van biologische oorsprong).
Pathogeniteit:
o Vermogen tot het verwekken van ziekte.
o Een organisme is wel of niet pathogeen.
o Ja of nee-kwestie.
o 'Sommige kunnen het, anderen niet'.
Virulentie:
o De mate van ziekmakend vermogen.
o Een organisme is hoog of laag virulent.
Hoog virulent verkoudheidvirus; kan heel makkelijk en hele erge
verkoudheden geven.
Laag virulent verkoudheidvirus; kan het wel, maar niet zo gemakkelijk.
Infectieziekten; termen 3
Besmettelijkheid (of infectiviteit):
o Hoe makkelijk een pathogeen overgedragen kan worden én vervolgens infectie kan
veroorzaken.
o Bijvoorbeeld;
Moeilijk -> bloedcontact.
, Makkelijk -> niezen.
Infectieus:
o In staat is om een infectie te veroorzaken.
o Pathogeen is in staat een infectie te veroorzaken.
Incubatieperiode:
o Tijd die verstrijkt tussen de besmetting en de eerste klinische symptomen van de
ziekte.
Ziekteoverdracht
Via direct contact; dier-dier:
o Huidcontact.
o Seksueel.
o Wondjes.
o Inademing vochtdruppels nabij.
Via indirect contact; dier-xxx-dier:
o Mest, urine, speeksel, bloed of huidschilfers op een voorwerp, op
voedsel/drinkwater of in de omgeving.
o Aerosolen (microscopische vochtdruppeltjes) over langere afstand:
Niet zichtbare waterdruppeltjes.
o Via vectoren:
Bijvoorbeeld: teek met de ziekte van Lyme.
Insect wat een ziekte overbrengt van dier naar dier.
Overdracht
Verticale overdracht:
o Van ouderdier op jong:
In de baarmoeder (in utero).
Tijdens geboorte.
Via moedermelk.
Erfelijk = niet-infectieus.
Horizontale overdracht:
o Tussen dieren onderling, dus alle wegen behalve de bovenstaande.
Les 2 Infectieziektes: verwekkers
Verwekkers van infectieziekten
1. Bacteriën.
2. Virussen.
3. Parasieten (en protozoën).
4. Schimmels.
5. (Prionen: bijzondere categorie).
1. Bacterie
Eencellig micro-organisme.
DNA.
Prokaryoot, dus geen celkern (DNA ligt 'los' en in plasmiden).
Aantal soorten is pathogeen, meeste niet.
Kunnen zelf eiwitten aanmaken:
o Kunnen zelfstandig delen.
Gevoelig voor antibiotica.
Les 1 Inleiding
Inhoud les 1
Ziekte: oorzaak of risicofactor.
Naamgeving van ziektes.
Termen en definities.
Ziekte-overdracht.
Inleiding
Gezondheid:
o Een evenwicht, zowel binnen in het lichaam, als tussen het lichaam en zijn omgeving.
Ziekte:
o Uit evenwicht zijn van het lichaam; zich bevinden in een toestand waarin de
levensprocessen niet regelmatig verlopen.
Ziekte: oorzaak of risicofactor
Oorzaak:
o Verwekker.
o Bijvoorbeeld: bacteriën, mijten, virussen.
o Maar ook: vuur is de verwekker van brandwonden.
Risicofactor:
o Omstandigheid die de kans op ziekte vergroot.
o Bijvoorbeeld: ondervoed zijn, tocht, hygiëne.
Risicofactoren
Zijn zelf geen oorzaak van ziekte.
Vergroten wel de kans op ziekte.
Vrijwel altijd terug te voeren op weerstandsvermindering.
Beide?
Voorbeeld voeding:
o Slechte voeding kan een risicofactor zijn; het maakt een dier gevoeliger voor
bijvoorbeeld bacteriële- of virusinfecties, omdat slechte voeding voor een lagere
weerstand zorgt.
o Slechte voeding kan ook een oorzaak zijn van ziekte; bijvoorbeeld taurine tekort bij
katten geeft onomkeerbare bindweefselschade -> hartklachten, oogklachten, enz.
Oefening: oorzaak of risicofactor?
1. Tocht en vocht zijn risicofactoren voor verkoudheid.
2. Parvovirus is een oorzaak van diarree.
3. Slechte voeding is een oorzaak én risicofactor van/voor haaruitval.
4. Tandplak is een risicofactor voor tandvleesontsteking.
5. Helicobacter-bacterie is een oorzaak van maagzweren.
6. UV-straling is een oorzaak van verbrande huid.
7. Slechte hygiëne is een risicofactor voor diarree.
8. Onveilige seks is een risicofactor voor AIDS.
,Indeling ziekten naar oorzaak
Toelichtingen
Blauw:
o Risicofactoren die een ziekte kunnen veroorzaken.
Rood:
o Biologische oorzaken; zijn dus de oorzaak van ziektes.
o Parasieten:
Dierlijke verwekkers verzamelnaam.
o Protozoën:
Eencellige dierlijke ziekteverwekkers.
Oranje:
o Factorenziekte; verschillende risicofactoren en verwekkers samen bepalen of een
ziekte wel of niet tot uiting komt.
o Elk in hun eentje geeft geen ziekte.
Indeling ziekten naar ontstaansmechanisme
Besmettelijke ziekten (= infectieziekten).
Degeneratieve ziekten ('slijtage').
Nieuwvormingsziekten ('tumoren' of 'wratje').
Aangeboren ziekten (kan erfelijk zijn, hoeft niet).
Stofwisselingsziekten (intracellulair enzymprobleem of hormoonprobleem).
Auto-immuun ziekten (afweersysteem valt lichaamseigen weefsel aan).
Naamgeving ziekten
Latijnse namen:
o -itis = ontsteking.
o -ose= verandering ter gevolge van een andere oorzaak zijnde niet ontsteking.
o Bijvoorbeeld:
Artritis = gewrichtsontsteking.
, Artrose = gewrichtsslijtage.
Naamgeving:
o Naam van de ontdekker.
o Nederlandse namen.
o Streekgebonden namen:
Het licht staat erop = de nageboorte is er niet goed afgekomen.
Inleiding ziekteverloop
Acuut:
o Ziekte ontstaat plotseling, en/of kort en hevig verloop (ziek binnen enkele uren tot 1-
2 dagen):
Subacuut = iets trager dan acuut.
Peracuut = zeer snel verloop, 'gillende spoed'.
Chronisch:
o Langdurig en/of slopend verloop (weken tot maanden, soms levenslang).
Intermitterend:
o Symptomen gaan steeds een tijdje weg en komen dan weer terug; 'gaat op en neer'.
Infectieziekten; termen 1
Besmetting (contaminatie):
o Overdracht van smetstof, onafhankelijk van de vraag of deze overdracht gevolgd
wordt door vermeerdering van de smetstof of een reactie van het besmette organisme.
Infectie:
o De vermeerdering van de verwekker in de gastheer en daarop volgende reactie van
het lichaam van de gastheer:
Klinisch = zichtbaar ziek; infectie die met klinische verschijnselen gepaard
gaat.
Subklinisch = niet zichtbaar ziek; infectie zonder waarneembare
verschijnselen.
Infectieziekten; termen 2
Pathogeen:
o Ziekteverwekker (van biologische oorsprong).
Pathogeniteit:
o Vermogen tot het verwekken van ziekte.
o Een organisme is wel of niet pathogeen.
o Ja of nee-kwestie.
o 'Sommige kunnen het, anderen niet'.
Virulentie:
o De mate van ziekmakend vermogen.
o Een organisme is hoog of laag virulent.
Hoog virulent verkoudheidvirus; kan heel makkelijk en hele erge
verkoudheden geven.
Laag virulent verkoudheidvirus; kan het wel, maar niet zo gemakkelijk.
Infectieziekten; termen 3
Besmettelijkheid (of infectiviteit):
o Hoe makkelijk een pathogeen overgedragen kan worden én vervolgens infectie kan
veroorzaken.
o Bijvoorbeeld;
Moeilijk -> bloedcontact.
, Makkelijk -> niezen.
Infectieus:
o In staat is om een infectie te veroorzaken.
o Pathogeen is in staat een infectie te veroorzaken.
Incubatieperiode:
o Tijd die verstrijkt tussen de besmetting en de eerste klinische symptomen van de
ziekte.
Ziekteoverdracht
Via direct contact; dier-dier:
o Huidcontact.
o Seksueel.
o Wondjes.
o Inademing vochtdruppels nabij.
Via indirect contact; dier-xxx-dier:
o Mest, urine, speeksel, bloed of huidschilfers op een voorwerp, op
voedsel/drinkwater of in de omgeving.
o Aerosolen (microscopische vochtdruppeltjes) over langere afstand:
Niet zichtbare waterdruppeltjes.
o Via vectoren:
Bijvoorbeeld: teek met de ziekte van Lyme.
Insect wat een ziekte overbrengt van dier naar dier.
Overdracht
Verticale overdracht:
o Van ouderdier op jong:
In de baarmoeder (in utero).
Tijdens geboorte.
Via moedermelk.
Erfelijk = niet-infectieus.
Horizontale overdracht:
o Tussen dieren onderling, dus alle wegen behalve de bovenstaande.
Les 2 Infectieziektes: verwekkers
Verwekkers van infectieziekten
1. Bacteriën.
2. Virussen.
3. Parasieten (en protozoën).
4. Schimmels.
5. (Prionen: bijzondere categorie).
1. Bacterie
Eencellig micro-organisme.
DNA.
Prokaryoot, dus geen celkern (DNA ligt 'los' en in plasmiden).
Aantal soorten is pathogeen, meeste niet.
Kunnen zelf eiwitten aanmaken:
o Kunnen zelfstandig delen.
Gevoelig voor antibiotica.