CTL (cytotoxisch T-lymfocyten) hebben een specifieke immuun respons tegen virussen.
Virus geïnfecteerde dendritische cellen kunnen naïeve CD8 T-cellen activeren. Hiervoor zijn
zowel signalen nodig van de TCR als van CD28. Als dit is gebeurt dan kan een T-cel zichzelf
prolifereren en differentiëren d.m.v. IL-2. De CD8 cellen herkennen en doden daarna virus
geïnfecteerde cellen.
De potentieel van een CD8 cel om een cel te doden is niet heel hoog, het
duurt heel erg lang. Tussen de T-cel en target cel is eerst niet specifieke
adhesie. Als dan er specifieke herkenning is dan is er reorganisatie van
het actine cytoskelet waardoor de MTOC (microtubuli organisizing
center) de GA (golgi) en de LG’s (lytic granules) zich kunnen alignen.
De LG’s clusteren nu bij het cel-cel contact oppervlak. Als de lytic
granules dan fuseren met het membraan, dan komen er cytokinen vrij en
gaat de cel dood.
LCMV (Lymfocytisch Choriomeningitis Virus) is een
virusinfectie die voorkomt bij wilde knaagdieren. Het
LCMV heeft verschillende epitopen waaronder NP118
en GP283. Tegen deze peptides kan een immuunrespons
opgewekt worden. Er is hierbij te zien dat er eerst een
expansion is van de immuunrespons, daarna een
contraction en vervolgens een steady state (memory). Er
ook te zien dat het virus zich eerst heel snel
vermenigvuldigd en de immuunrespons pas later op
gang komt en het virus dood.
, SIV (simian immunodeficiency virus) is een
chronische virus infectie. Tat en Gag zijn twee
antigenen van dit virus en er is een verschil te
zien in hun respons. Er is te zien dat Tat
ontsnapt aan het respons doordat het virus
muteert. In de respons van Tat is dan ook een
expansie, contractie en steady state fase te zien.
Gag daarin tegen ontsnapt niet er hierbij is te
zien dat de respons hogere blijft. Virale contactie
valt samen met de stijging van de CD8
responsen en de uitputting van target cellen.
Er zijn kinetische
verschillende tussen een
accute en chronische respons.
Bij een chronische infectie heb
je een eerdere piek en snellere
contractie.
Als we teruggaan naar het LCM virus dan is te zien dat verschillende epitopen CD8 T-cellen
triggeren maar dat de respons grootte verschilt. Per infectie zijn er altijd maar een paar
epitopen tegen wie een immuunrespons wordt opgewekt (>15) terwijl er heel veel antigenen
worden geproduceert. Deze door T-cel herkende epitopen worden dan immunodominant
genoemd. Deze epitopen die een immuunrespons opwekken kan je vervolgens ook indelen op
hun immunodominantie door te kijken naar welke piek het hoogst is (de grootste respons).
De immuunresponses hiervoor
gingen over CLT gemedieerde
responses. Voor LCMV kunnen ook
CD4 cellen een immuunrespons
opwekken. Hierbij is wel te zien dat
de memory fase een dalende lijn
heeft t.o.v. de memory fase bij CD8
respons. De CD8 memory cells
hebben dus een hogere survival rate.