RSV staat voor respitory syncytial virus. Het is een van de belangrijkste veroorzakers van een
verkoudhoud. Voor volwassen blijft het hierbij maar voor kinderen kan deze verkoudheid
overslaan op de lagere luchtwegen (longen). RSV is – sense wat betekend dat het RNA geen
mRNA heeft waardoor het niet gelijk door het ribosoom kan worden omgezet. RSV moet dus
zijn eigen RNA dependent RNA polymerase mee nemen om zijn RNA om te zetten in
mRNA.
Er zijn twee types RSV: A en B. Deze twee
types verschillen in hun attachment (G) protein.
RSV infecteert ciliated epitheel cellen (met van
die trilharen).
Een van de eiwitten die aan het virus zit is het fusion (F) eiwit. Dit eiwit heeft twee
verschillende conformaties: pre-fusion en post-fusion.
In RSV is het fusion eiwit erg onstabiel: het
komt zowel in de pre-fusion als post-fusion
vorm voor. De pre-fusion conformatie kan
veranderen naar een post-fusion vorm maar
niet andersom (energetische redenen). Als
het virus alleen nog maar post-fusion vorm
eiwitten heeft, dan kan het de cellen niet
meer infecteren en is het in principe
onschadelijk.
Om een vaccin te ontwikkelen tegen RSV lijkt het handig om antilichamen te maken tegen
pre-fusion eiwitten (deze kunnen nog cellen infecteren). In 1960 werd een vaccin experiment
gedaan waarbij Formalin-inactived (FI) RSV werd toegediend. Een verschil tussen FI en
active RSV is dat FI RSV bijna alleen maar post-F op de virus oppervlakte heeft. Na het
vaccin heeft het lichaam dus wel antilichamen tegen post-F maar niet tegen pre-F. Hierdoor
werken deze antilichamen niet neutraliserend. Daarnaast zorgde het ook nog eens voor een
skewed Th2-respons.