In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de B-cel activatie
wat plaats vindt in het secundaire lymfoïde knopen
(SLN). Voor de activatie van B-cellen in cross-
linking nodig. Dit is van belang omdat er je minimaal
twee gefosforyleerde ITAMs nodig hebt voor
downstream activerende signalen.
Antilichamen kunnen zowel binden aan oppervlakte
antilichamen als aan opgeloste antilichamen. Het begin
van de signalering is anders, maar uiteindelijk worden
dezelfde cytoplasmatische signalen gegenereerd. Er is
wel te zien dat het CD2 deel van de B-cel co-receptor
twee verschillende conformaties heeft.
FDC’s spelen een belangrijke rol bij B-cel activatie. Deze FDC’s zijn altijd aanwezig in de
lymfe knopen. Ze hebben een groot oppervlak en presenteren intacte antigenen. FDC’s zijn
een bewaarplaats voor intacte antigenen en dit is mogelijk omdat de een uitgebreid oppervlak
hebben en geen fagocyterende activiteit hebben. Doordat de antigenen niet worden
opgenomen en geknipt, verandert hun conformatie niet en kunnen B-cellen dus het naïeve
antigen herkennen.
, T-cells worden blootgesteld aan AIREs in de thymus, B-cellen hebben niet een soort gelijk
molecuul en hierdoor zijn er meer zelf-reactieve B-cellen. Om deze reden moeten B-cellen
geactiveerd worden door T-cellen. Naïeve B-cellen worden geactiveerd door FDC’s in de
follikels en naïeve T-cellen worden geactiveerd door dendritische cellen. Geactiveerde T-
cellen prolifereren en differentiëren. Antigen geactiveerde B-cellen nemen het antigen op en
gaan het presenteren op hun MHC II moleculen. Vervolgens bewegen ze naar de grenslijn. De
geactiveerde B-cellen presenteren deze antigenen aan de effector TFH cellen (die ook naar de
grenslijn zijn gegaan) door cognate interaction en cognate pairs te vormen.
CD40 is cruciaal voor deze T-B cel interactie. Als TFH
cellen een verbinding maakt met B-cellen dat begint het
cytokinen en CD40 ligand te synthetiseren, wat dan
bindt aan het B-cel CD40. Er worden dan een aantal
adhesie moleculen geëxpresseert waardoor er een soort
synaps ontstaat tussen de B-cel en de T-cel. Vervolgens
worden het cytoskelet, MTOC (microtubuli organising
center) en golgi apparaat gereorganiseerd waardoor er
efficiënte en gefocuste delivery van cytokinen aan de B-
cel is.
De T- en B-cellen verlaten gebonden de T-cel area en gaan naar de medullary cords. Beide
cellen beginnen hierna te delen. Deze deling duurt een aantal dagen en hier ontstaan ook
plasmacellen die IgM uitscheiden (snel). Sommige B-cellen die nog steeds gebonden zijn aan
de TFH cellen gaan naar de primaire follikel. Hier gaan de B-cellen prolifereren en vormen ze
de germinal center (14 dagen). In de GC wordt de BCR affiniteit verhoogt en vindt er
isotoop switching naar IgG, IgA en IgE plaats.