Immature dendritische cellen nemen antigenen open
en migreren naar secundaire lymfoïde weefsel.
Tijdens hun migratie worden ze volwassen en
geactiveerde dendritische cellen. Macrofagen daarin
tegen migreren niet maar blijven in het weefsel. De
T-cellen zitten in de secundaire lymfoïde organen
waar ze geactiveerd worden door specifieke
antigenen.
Als dendritische cellen volwassen worden dan wordt hun
morfologie compleet anders. Als dendritische cellen
geactiveerd worden dan wordt CCR7 geëxpresseert (de
receptor voor CCL21). CCL21 is een chemokine gemaakt
door secundaire lymfoïde weefsel. Dit resulteert in een
migratie naar de lymfe knoop en stopt verdere processing.
Hierdoor gaan DC’s zich focussen op T-cel activatie.
Dendritische cellen gebruiken verschillende pathways om afgebroken antigen fragmenten te
presenteren. Via MHC II moleculen activeren ze CD4 T-cellen en via MHC I moleculen CD8
T-cellen. Verschillende mogelijkheden:
∼ Opname van bacteriën via receptor, MHC II
∼ Macropinocytose van bacteriën of virussen, MHC II
∼ Virale infectie, MHC I
∼ Cross-presentatie van exogene virale antigenen, MHC I (virussen zo zowel op MHC I als
MHC II gepresenteerd, dus zowel CD4 en CD8 cellen geactiveerd)
∼ Transfer van virale antigenen van geïnfecteerde DC naar andere DC, MHC I
, Naïeve T-cellen komen een lymfe knoop binnen via
twee verschillende routes: het bloed of via afferente
lymfe die komt van een andere lymfe knoop. Bij een
infectie wordt maar 1 per 10000/1000000 T-cellen
geactiveerd.
Een T-cel komt een lymfe knoop binnen via high endothelial venules. Hiervoor moeten ze wel
door de endotheel laag heen. Dit wordt gedaan door chemokines en cel adhesie moleculen. L-
selectin bindt aan GlyCAM-1 en CD34 zorgt voor rol-interacties. Als er chemokines worden
geproduceert (bij lymfe knopen), dan binden deze aan receptoren op de T-cel en dan wordt
LFA-1 geactiveerd. Geactiveerd LFA-1 bindt sterk aan ICAM-1. Hierdoor vindt er diapedese
plaats en gaan de T-cellen door de endotheel laag.
Als T-cellen binden aan dendritische cellen dan zijn er
verschillende interacties. DC-SIGN is een lectine die alleen
voorkomt bij geactiveerde dendritische cellen. Er zijn zoveel
bindingen nodig zodat T-cellen en MHC moleculen zo goed
mogelijk kunnen interacteren.
De interacties tussen T-cellen en DC’s worden
gestabiliseerd door de herkenning van antigen in de
context van MHC. T-cellen binden aan DC’s via
LFA-1 die een interacties vormen met ICAM-1. Als
er een match is dan gaat er een signaal naar LFA-1
die dan van conformatie verandert waardoor er nog
beter cel contact is en de cel sterk gebonden blijf
aan de DC (cognate pair).