B-cellen zijn een onderdeel van het adaptieve immuun systeem. Ze
kunnen antigenen herkennen zonder dat de daarvoor een APC (antigen
presenterende cel) nodig hebben. B-cellen doen dit met antilichamen
(immunoglobulinen). Deze antilichamen bestaan uit een zware en een
lichte keten met daarin constante en variabele regio’s. VH en VL
vormen samen de antigen binding site. CH en CL vormen het
herkenningspunt voor macrofagen en ze bepalen de functie van het
antilichaam.
Als immunoglobulines geknipt worden door papain dan ontstaan er twee
fragmenten: Fab (fragment antigen binding) en Fc (fragment kristallisatie).
Fc staat dus niet voor fragment constant maar voor kristallisatie omdat het
makkelijker was om dit deel te kristalliseren.
Verschillen in het constante deel van de heavy chain (CH) zorgt ervoor dat er vijf
immunoglobulines (isotopen) zijn. Deze isotopen zorgen voor functionele verschillen:
∼ IgG (monomeer) secundaire respons, kan door de placenta en zorgt voor de afweer
van de baby in de eerste 6 maanden.
∼ IgM (pentameer) primaire respons (eerst geproduceerde antilichaam) en helpt bij
neutraliseren van bacteriën, kan goed antigenen wegvangen.
∼ IgD (monomeer) nog weinig over bekend
∼ IgA (dimeer) wordt gevonden in maag, darmen, speeksel en (moeder)melk. IgA kan
door het epithelia omdat de sulfide binding tussen de constante regio’s van de twee
antilichamen ervoor zorgen dat het goed door de epitheel laag kan.
∼ IgE (monomeer) heeft een langere constante regio. Deze constante regio kan goed
binden aan mast cellen waardoor histamines vrijkomen die de parasiet tegengaan
(hierdoor ontstaan allergieën).
, Je hebt ook twee soorten lichte ketens: kappa (κ, 2/3) en lambda (λ, 1/3). De constante regio
van de lichte ketens bepaald wat voor een soort lichte keten je hebt. Deze twee soorten lichte
ketens hebben geen functioneel verschil.
De immunoglobulines (Ig) zijn deer flexibel. Deze flexibiliteit is erg
belangrijk voor het binden aan de pathogenen, want dit kan onder
verschillende hoeken zijn. De bindingen tussen het Fab en Fc deel dienen
als een soort scharnier. Dit scharnier heeft een lineaire structuur die
minder stabiel is maar wel flexibiliteit aan de armen geeft.
De variabele en constante domeinen van het Fab
gedeelte bestaan allebei uit antiparallele bèta-
strands die bèta-sheets vormen (sandwich). In de
variabele domeinen zitten hypervariabele loops
die interacteren met het antigen:
complementary determing regions (CDRs).
Deze CDRs zijn het meest variabele deel van het
antilichaam en dit is mogelijk omdat het loops
zijn (sheets zijn veel minder variabel).
Als de variabiliteit wordt geplot, dan is te zien dat de CDRs inderdaad
het meest flexibel zijn. Om de CDRs heen zitten framework regio’s
(FR). Deze FRs zijn verantwoordelijk voor de vouwing van de
immunoglobine. Als gekeken wordt naar welke aminozuren voorkomen
in de Fab regio’s van mensen, kippen en muizen, dan verschilt dit niet
echt. Dit komt omdat de structuur van alle antilichamen hetzelfde moet
zijn omdat de dezelfde flexibiliteit moeten hebben. De genen zijn dus
anders maar de structuur hetzelfde.
Het epitoop is de plek op het antigen waar het antilichaam aan bindt. De antigenen kunnen
multivalent binden aan dezelfde of verschillende epitopen. Deze epitopen kunnen linear of
discontinu zijn. De discontinu epitopen zijn moeilijker te bestuderen omdat de binding sites
ver uit elkaar liggen.