Hoofdstuk 1: Geest, gedrag en wetenschap
• Psychologie: Wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen.
• Experimentele psychologie: Onderzoeksgebied binnen psychologie dat
gebruikmaakt van gecontroleerde experimenten om mentale processen en gedrag te
begrijpen.
• Toegepaste psychologie: Het gebruik van psychologische kennis om praktische
problemen op te lossen in diverse contexten.
• Perspectieven in de psychologie:
o Biologisch perspectief: Benadering die de invloed van biologische
processen op gedrag en mentale processen onderzoekt.
o Cognitief perspectief: Benadering gericht op mentale processen zoals
waarneming, geheugen en denken.
o Behavioristisch perspectief: Benadering die gedrag verklaart aan de hand
van leerprincipes zoals conditionering.
o Whole person-perspectieven:
§ Psychodynamisch perspectief: Benadering die de invloed van
onbewuste processen en vroege ervaringen benadrukt.
§ Humanistisch perspectief: Benadering die de nadruk legt op
menselijke groei en zelfactualisatie.
§ Psychologie van karaktertrekken en temperament: Onderzoek naar
consistente gedragskenmerken en persoonlijke eigenschappen.
o Ontwikkelingsperspectief: Bestudeert hoe mensen zich ontwikkelen
gedurende hun leven.
o Sociocultureel perspectief: Onderzoekt hoe sociale interacties en
cultuurgedrag beïnvloeden.
Hoofdstuk 2: Biopsychologie
• Biopsychologie: Studie van hoe biologische processengedrag en mentale
processen beïnvloeden.
• Evolutie: Proces waarbij soorten zich over generaties heen ontwikkelen.
• Natuurlijke selectie: Mechanisme van evolutie waarbij individuen met gunstige
kenmerken meer overlevings- en voortplantingskans hebben.
• DNA, genen en chromosomen: Dragers van erfelijke informatie; genen zijn stukjes
DNA, en chromosomen bevatten de genetische informatie.
• Genotype: De genetische samenstelling van een individu.
• Fenotype: De observeerbare eigenschappen van een individu, bepaald door genen
en omgeving.
, • Plasticiteit: Vermogen van het brein om zich aan te passen door ervaringen en
herstel.
• Zenuwstelsel: Bestaat uit het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) en
het perifere zenuwstelsel (alle overige zenuwen).
• Sympathisch en parasympatisch zenuwstelsel: Onderdeel van het autonome
zenuwstelsel; het sympathische deel activeert, terwijl het parasympathische deel
ontspant.
• Endocriene stelsel: Systeem van klieren dat hormonen produceert en reguleert.
• Drie lagen van de hersenen:
o Hersenstam (‘reptielenbrein’): Basale functies zoals hartslag en
ademhaling.
o Limbisch systeem (‘zoogdierenbrein’): Betrokken bij emoties en geheugen.
o Cerebrale cortex: Verantwoordelijk voor hogere denkfuncties zoals
redeneren en taal.
• Prefrontale cortex: Gebied van de hersenen dat betrokken is bij planning,
beslissingen en sociaal gedrag.
• Spiegelneuronen: Neuronen die actief worden bij het observeren en uitvoeren van
handelingen, en mogelijk empathie bevorderen.
Hoofdstuk 3: Sensatie en perceptie
• Stimulatie: Het prikkelen van zintuigen door externe stimuli.
• Sensatie: Het proces waarbij sensorische receptoren en zenuwen reageren op
stimuli.
• Perceptie: Het interpreteren en organiseren van sensorische informatie.
• Sensorische adaptatie: Verminderde gevoeligheid voor constante stimuli.
• Absolute drempel: De minimale intensiteit die nodig is om een stimulus op te
merken.
• Verschildrempel: Kleinste waarneembare verschil tussen twee stimuli.
• Wet van Weber: Relatie tussen de intensiteit van de stimulus en de minimaal
waarneembare verandering ervan.
• Signaaldetectietheorie: Beschrijft hoe we beslissingen nemen over het wel of niet
waarnemen van stimuli.
• Bottom-up verwerking en top-down verwerking: Bottom-up betreft verwerking
vanaf de sensorische input naar interpretatie, top-down begint met verwachtingen die
de waarneming beïnvloeden.
• Veranderingsblindheid: Het niet opmerken van veranderingen in een visuele scène.
• Illusie: Verkeerde interpretatie van een werkelijke stimulus.
• Psychologie: Wetenschappelijke studie van gedrag en mentale processen.
• Experimentele psychologie: Onderzoeksgebied binnen psychologie dat
gebruikmaakt van gecontroleerde experimenten om mentale processen en gedrag te
begrijpen.
• Toegepaste psychologie: Het gebruik van psychologische kennis om praktische
problemen op te lossen in diverse contexten.
• Perspectieven in de psychologie:
o Biologisch perspectief: Benadering die de invloed van biologische
processen op gedrag en mentale processen onderzoekt.
o Cognitief perspectief: Benadering gericht op mentale processen zoals
waarneming, geheugen en denken.
o Behavioristisch perspectief: Benadering die gedrag verklaart aan de hand
van leerprincipes zoals conditionering.
o Whole person-perspectieven:
§ Psychodynamisch perspectief: Benadering die de invloed van
onbewuste processen en vroege ervaringen benadrukt.
§ Humanistisch perspectief: Benadering die de nadruk legt op
menselijke groei en zelfactualisatie.
§ Psychologie van karaktertrekken en temperament: Onderzoek naar
consistente gedragskenmerken en persoonlijke eigenschappen.
o Ontwikkelingsperspectief: Bestudeert hoe mensen zich ontwikkelen
gedurende hun leven.
o Sociocultureel perspectief: Onderzoekt hoe sociale interacties en
cultuurgedrag beïnvloeden.
Hoofdstuk 2: Biopsychologie
• Biopsychologie: Studie van hoe biologische processengedrag en mentale
processen beïnvloeden.
• Evolutie: Proces waarbij soorten zich over generaties heen ontwikkelen.
• Natuurlijke selectie: Mechanisme van evolutie waarbij individuen met gunstige
kenmerken meer overlevings- en voortplantingskans hebben.
• DNA, genen en chromosomen: Dragers van erfelijke informatie; genen zijn stukjes
DNA, en chromosomen bevatten de genetische informatie.
• Genotype: De genetische samenstelling van een individu.
• Fenotype: De observeerbare eigenschappen van een individu, bepaald door genen
en omgeving.
, • Plasticiteit: Vermogen van het brein om zich aan te passen door ervaringen en
herstel.
• Zenuwstelsel: Bestaat uit het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) en
het perifere zenuwstelsel (alle overige zenuwen).
• Sympathisch en parasympatisch zenuwstelsel: Onderdeel van het autonome
zenuwstelsel; het sympathische deel activeert, terwijl het parasympathische deel
ontspant.
• Endocriene stelsel: Systeem van klieren dat hormonen produceert en reguleert.
• Drie lagen van de hersenen:
o Hersenstam (‘reptielenbrein’): Basale functies zoals hartslag en
ademhaling.
o Limbisch systeem (‘zoogdierenbrein’): Betrokken bij emoties en geheugen.
o Cerebrale cortex: Verantwoordelijk voor hogere denkfuncties zoals
redeneren en taal.
• Prefrontale cortex: Gebied van de hersenen dat betrokken is bij planning,
beslissingen en sociaal gedrag.
• Spiegelneuronen: Neuronen die actief worden bij het observeren en uitvoeren van
handelingen, en mogelijk empathie bevorderen.
Hoofdstuk 3: Sensatie en perceptie
• Stimulatie: Het prikkelen van zintuigen door externe stimuli.
• Sensatie: Het proces waarbij sensorische receptoren en zenuwen reageren op
stimuli.
• Perceptie: Het interpreteren en organiseren van sensorische informatie.
• Sensorische adaptatie: Verminderde gevoeligheid voor constante stimuli.
• Absolute drempel: De minimale intensiteit die nodig is om een stimulus op te
merken.
• Verschildrempel: Kleinste waarneembare verschil tussen twee stimuli.
• Wet van Weber: Relatie tussen de intensiteit van de stimulus en de minimaal
waarneembare verandering ervan.
• Signaaldetectietheorie: Beschrijft hoe we beslissingen nemen over het wel of niet
waarnemen van stimuli.
• Bottom-up verwerking en top-down verwerking: Bottom-up betreft verwerking
vanaf de sensorische input naar interpretatie, top-down begint met verwachtingen die
de waarneming beïnvloeden.
• Veranderingsblindheid: Het niet opmerken van veranderingen in een visuele scène.
• Illusie: Verkeerde interpretatie van een werkelijke stimulus.