Module 14-1.
Geneeskunde.
Van de aanmaak van bloedcellen tot het ontstaan van trombose.
Leerdoelen:
• De kenmerken en functies van bloedcellen beschrijven, en beredeneren welke gevolgen het hebben van een bepaalde
bloedgroep heeft voor een zorgvrager.
• Globaal beschrijven hoe de stollingscascade werkt, en hoe medicatie hierop kan aangrijpen.
• Beredeneren waarom een zorgvrager afwijkingen van het bloed heeft, zoals anemie of trombose.
Cardiovasculaire stelsel: een gesloten systeem van bloedvaten waardoor bloed stroomt.
Kleine bloedsomloop (pulmonaire circulatie) en de grote bloedsomloop (systeemcirculatie).
Functies: transport van voedingsstoffen, afvalstoffen, ademhalingsgassen en cellen in het lichaam.
Bloed
Bloed: een gespecialiseerd type bindweefsel dat bestaat uit cellen die zich in een vloeibare matrix bevinden.
Vol bloed bestaat uit plasma, bloedcellen en celfragmenten. Het scheiden Van componenten van vol bloed heet
fractioneren.
Temperatuur: 38°C (hoger dan lichaamstemperatuur).
Viscositeit: 5x zo hoog als water.
pH: licht basisch (7,35 en 7,45).
De 5 belangrijke functies van bloed.
1. Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en afvalproducten van de stofwisseling.
2. Stabilisering van de pH en de ionensamenstelling (calcium- of kaliumionen).
3. Beperking van het bloedverlies bij verwonding door bloedstolling.
4. Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers.
5. Stabilisering van de lichaamstemperatuur.
Samenstelling van bloed:
Plasma 55% (plasma-eiwitten, andere opgeloste stoffen en water).
Celfragmenten 45% (trombocyten, leukocyten en erytrocyten).
Venapunctie: bloedafname in een (oppervlakkige) vene, zoals de v. mediana cubiti
(voorkant elleboog).
Oppervlakkige ligging, dunne wanden, lage bloeddruk = snellere genezing.
Bloed uit perifere capillairen kan worden verkregen door in de vingertop, oorlel, grote teen of hiel te prikken.
Bloeduitstrijkje: dun laagje bloed op een objectglaasje.
Arteriële punctie: bloedafname in slagader, zoals de a. radialis (pols) of de a. brachialis (elleboog).
Kan nodig zijn om te beoordelen hoe efficiënt de gaswisseling ter hoogte van de longen verloopt.
De bloedstolling is een vorm van positieve feedback, en is op te delen in fases.
Vasoconstrictie = verlaging van de bloedstroom waardoor stolselvorming kan plaatsvinden.
Primaire hemostase= trombocyten vormen bloedprop.
Secundaire hemostase = versteviging van de bloedprop.
Antistolling en fibrinolyse = het opruimen van het stolsel.
Defecten van de hemostase.
,VPKGT1-B-Verpleegkundige kennis 4 (T. 5638)
• Hereditair
• Verworven
• Combinatie van beiden
Resultaat: bloedingsneiging of tromboseneiging.
Plasma.
Het plasma en de interstitiële vloeistof vormen het grootste deel van het volume van de extracellulaire vloeistof
in het lichaam.
Plasma vormt het grootste deel van het volume van vol bloed. Plasma bestaat uit plasma-eiwitten, overige
opgeloste stoffen en water.
Plasma = water (90%); voedingsstoffen; afvalstoffen; hormonen; plasma-eiwitten, waaronder stollingsfactoren
(onder andere fibrinogeen en protrombine), antistoffen en albumine.
De 3 belangrijkste plasma-eiwitten zijn albuminen, globulinen en fibrinogeen.
- Albuminen, handhaven van de osmotische druk van het plasma.
- Globulinen, de antistoffen en transporteiwitten.
Antistoffen (immunoglobulinen) vallen lichaamsvreemde eiwitten en ziekteverwekkers aan.
Transporteiwitten binden zich aan verbindingen die slecht in water oplosbaar zijn.
- Fibrinogeen, rol bij de bloedstolling.
Fibrinogeen speelt een rol bij de bloedstolling. Fibrinogeenmoleculen kunnen worden omgezet in
lange, onoplosbare strengen fibrine (zij vormen het raamwerk van een bloedstolsel).
Albuminen en globulinen kunnen aan vetten binden. Vetten die niet goed in water oplosbaar zijn, kunnen
mogelijk wel in het bloedplasma worden vervoerd. Globulinen die zijn betrokken bij het transport van vetten,
heten lipoproteïnen.
Serum = de vloeistof die overblijft nadat de stollingseiwitten worden verwijderd uit het bloedplasma.
De lever vormt het grootste deel van de plasma-eiwitten (waaronder albuminen, fibrinogeen en een groot deel
van de globulinen).
Afname hoeveelheid plasma-eiwitten (door bijv. leveraandoeningen) = afname osmotische druk plasma.
Gevolg >> verminderd vermogen om infecties te bestrijden, afname van het transport en de binding van
bepaalde ionen, hormonen en andere moleculen.
Rode bloedcellen = erytrocyten.
Erytrocyten bevatten hemoglobine (Hb) dat zuurstof en koolstofdioxide bindt en vervoert.
Hematocriet = het volumepercentage erytrocyten in vol bloed.
Toename bij uitdroging of na stimulering met erytropoëtine (EPO).
Afname als gevolg van inwendige bloedingen of wanneer de erytropoëse is verstoord.
Het hematocriet wordt gemeten nadat een bloedmonster is gecentrifugeerd, zodat de vaste elementen zijn
neergeslagen. Na centrifugeren worden 3 lagen gevormd: (1) plasma, de bovenste laag, (2) de middelste laag
die bestaat uit witte bloedcellen en plaatjes en (3) een onderste laag van opeengepakte rode bloedcellen. Het
hematocriet (= bijna gelijk aan volume vaste elementen in bloed) wordt berekend door de hoogte van de laag
rode bloedcellen te vergelijken met de hoogte van het hele bloedmonster.
Hematocriet wordt vaak vermeld als het Volume Packed Red Cells (VPRC) of het Packed Cell Volume (PCV).
,VPKGT1-B-Verpleegkundige kennis 4 (T. 5638)
Erytropoëse: vorming van erytrocyten in het rode beenmerg ofwel myeloïde weefsel.
Stimuleren erytropoëse door erytropoëtine (EPO) of erytropoësestimulerend hormoon.
Stadia in de ontwikkeling van erytrocyten zijn erytroblasten en reticulocyten.
TOETSVRAAG: IJzer (Fe), vitamine B12 en foliumzuur zijn van essentieel belang voor de erytropoëse.
Erytrocyten zijn gespecialiseerd in het vervoeren van zuurstof en koolstofdioxide in het bloed.
De vorm heeft twee belangrijke effecten op het functioneren van de erytrocyten:
1. Geeft elke erytrocyt een groot oppervlakte t.o.v. de inhoud, waardoor de diffusiesnelheid tussen het
cytoplasma en het bloedplasma wordt verhoogd
2. Maakt erytrocyten flexibel.
Erytrocyten verliezen tijdens hun ontwikkeling het grootste deel van hun organellen (mitochondria, ribosomen,
celkern). Ze behouden alleen het cytoskelet. Doordat ze geen kern en geen ribosomen hebben, kunnen
erytrocyten in de bloedsomloop zich niet delen en geen eiwitten of enzymen vormen. Ze kunnen zichzelf ook
niet herstellen, waardoor ze een korte levensduur hebben (120 dagen).
Door mechanische belasting en het ontbreken van herstelmechanismen bedraagt de levensduur van een
erytrocyt 120 dagen. Fagocyten van de milt, lever of het rode beenmerg detecteren de beschadiging en nemen
de erytrocyt op door fagocytose.
Er sterven evenveel erytrocyten af als dat er bij komen. Dagelijks wordt 1% van de erytrocyten in het bloed
vervangen.
De energiebehoefte van erytrocyten is gering. Zonder mitochondria verkrijgen erytrocyten de energie via
anaerobe dissimilatie waarbij ze glucose uit het omringende bloedplasma opnemen. Dit zorgt ervoor dat het
zuurstof dat ze opnemen niet door henzelf wordt gebruikt.
Structuur en functie van hemoglobine.
Een volwassen erytrocyt bestaat uit een celmembraan dat een hoeveelheid transporteiwitten omgeeft.
Hemoglobine (Hb) is verantwoordelijk voor het vermogen van de cel om zuurstof en koolstofdioxide te
vervoeren.
Hemoglobine: een ijzerhoudend eiwit dat zuurstof en koolstofdioxide kan binden en loslaten.
Oxyhemoglobine: de verbinding tussen zuurstof en hemoglobine.
Carbaminohemoglobine: de verbinding tussen koolstofdioxide en hemoglobine.
Een hemoglobinemolecuul bestaat uit 4 globulaire eiwitsubeenheden. Elk van de 4 subeenheden bevat een
enkel molecuul haem. Elk haemmolecuul bevat een ijzerion dat met een zuurstofmolecuul kan reageren (O2).
De binding van ijzer aan zuurstof is zwak en kan gemakkelijk worden verbroken. Als er zuurstof aan
hemoglobine is gebonden, heeft een bloed een helderrode kleur. Zo niet, dan donkerrood.
Veel zuurstof in bloedplasma hemoglobinemoleculen binden zuurstof tot alle haemmoleculen zijn verzadigd.
Veel koolstofdioxide in bloedplasma hemoglobinemoleculen geven hun zuurstofreserves af en het
globinegedeelte van elk haemmolecuul begint koolstofdioxide te binden.
Beide processen zijn omkeerbaar.
Anemie (bloedarmoede): het bloed van iemand met een laag hematocriet, of van iemand bij wie de erytrocyten
minder hemoglobine bevatten, kan minder zuurstof vervoeren.
, VPKGT1-B-Verpleegkundige kennis 4 (T. 5638)
Hemolyse: wanneer erytrocyten verouderen of beschadigd raken, scheurt een deel van de cellen. Als dit
gebeurt wordt de hemoglobine in het bloed afgebroken en worden de afzonderlijke polypeptidenketens door
de nieren uit het bloed gefiltreerd en met de urine uitgescheiden.
Hemoglobinurie: als er grote aantallen erytrocyten in het bloed worden afgebroken, kan de urine roodbruin of
bruin worden.
Verschillende erfelijke aandoeningen worden gekenmerkt door afwijkend hemoglobine. De twee bekendste
ziekten zijn thalassemie en sikkelcelanemie (SCA).
TOETSVRAAG: “Wat is thalassemie?” >> ontstaat wanneer er te weinig globulaire moleculen (onderdelen van
hemoglobine) worden gevormd. Thalassemie is een vorm van anemie.
Hergebruik van hemoglobine.
Een groot deel van de onderdelen van de erytrocyten (waaronder hemoglobine) wordt hergebruikt. Macrofagen
(fagocyterende cellen) in de milt, lever en het rode beenmerg spelen een belangrijke rol bij het hergebruik van
deze onderdelen.
Een klein deel van de erytrocyten scheurt in het bloed. Meestal worden verouderde erytrocyten door
fagocyterende cellen (macrofagen) in lever, milt en beenmerg herkend en in deze cellen opgenomen, voordat ze
hemolyse ondergaan.
Zodra een erytrocyt is gefagocyteerd en door een macrofaag is afgebroken, heeft elk onderdeel van het
hemoglobinemolecuul een andere bestemming:
(1) De vier globulaire eiwitten afgebroken tot aminozuren waaruit ze waren opgebouwd. Deze aminozuren
kunnen door de cel worden afgebroken voor energie of worden aan het bloed afgegeven.
(2) Haemmolecuul zonder ijzer omgezet in biliverdine omgezet in bilirubine dat aan het bloed wordt
afgegeven. Levercellen nemen het bilirubine op. Blokkering bilirubine in galbuizen, leidt tot gele kleur in
perifere weefsels = geelzucht, gekenmerkt door gele verkleuring huid/ogen. Bilirubine dat in de dikke darm
terechtkomt, wordt omgezet in urobilinen en stercobilinen. Hierdoor wordt urine geel en poep bruin.
(3) IJzer dat van de haemmoleculen is losgekoppeld kan in de macrofaag worden opgeslagen of aan het bloed
worden afgegeven, waar het zich aan transferrine bindt, een transporteiwit in het bloedplasma.
Erytrocyten die in het rode beenmerg worden gevormd, nemen aminozuren en transferrinen uit het bloed
op en gebruiken deze bij de synthese van nieuwe hemoglobinemoleculen.
Erytropoëse
De vorming van erytrocyten vindt plaats in het rode beenmerg (myeloïde weefsel). Dit weefsels bevindt zich in
de wervels, het borstbeen, de ribben, de schouderbladen, het bekken en de proximale beenderen van de
ledematen.
Bij sterke prikkeling kunnen delen van het gele beenmerg in rood beenmerg overgaan.
Artsen gespecialiseerd in de vorming en het functioneren van het bloed zijn hematologen.
Erytrocyten (en alle andere bloedcellen) ontstaan door de deling van hemocytoblasten of hematopoëtische
stamcellen in het rode beenmerg. Bij de vorming van de cellen waaruit uiteindelijk de erytrocyten ontstaan,
vormen de hemocytoblasten myeloïde stamcellen, waarvan enkele een aantal opeenvolgende rijpingsstadia
doormaken tot ze zich uiteindelijk volwassen erytrocyten hebben gevormd.
Erytroblasten zijn onrijpe erytrocyten die actief hemoglobine vormen. Na differentiatie stoten de erytroblasten
hun kern af en ontwikkelen ze zich tot reticulocyten. De reticulocyten gaan naar de circulatie. Na 24 uur in de
bloedsomloop hebben de reticulocyten hun rijping voltooid en zijn ze niet langer van andere rijpe erytrocyten
te onderscheiden.