Alternatieve namen
• Hepatofyta - Marchantiophyta
• Bryophyta - Musci
• Anthocerophyta - Anthocerotophyta
• Lycophyta - Lycopodiophtya
• Sphenophyta – Equisetophyta – Arthrophyta
• Monilofyta – Pteridophyta (s.s.) - Filicinophyta
• Anthophyta – Magnoliophyta – Angiospermae
Synoniemen
• Isogamy = homogamy
• Oogamy = heterogamy
• Sporogonium = Sporangium = Sporogoon (NL)
• Capsule = naam voor sporangium bij mossen = sporenkapsel (NL)
• Macro- = Mega-
• Euhpyll = Megaphyll
• Lycophyll = Microphyll = prophyll
• Xylem = Xyleem (NL) = houtvaten (NL)
• Phloem = Floëem (NL) = zeefvaten/bastvaten (NL)
• Monilophyta = Pterofyta (parafyletisch)
• Prothallium = naam voor gametofyt bij Varens
• Protonema = Voorkiem (NL)
• Megasporangium = Macrosporangium
• Megagametophyte = female gametophyte
• Bloembouw:
o Stigma=Stempel
o Style=Stylus
o Ovary=ovarium=vruchtbeginsel
o Ovule=ovulum=zaadknop
o Stigma + Style + Ovary = Carpel
o All Carpel(s) = Pistil = stamper
o Stamen = Meeldraad
o Anther = Helmknop
o Filament = Helmdraad
Thalophyta en Cormetophyta:
• Cormetophyta: landplanten die geen differentiatie in stengel, blad en wortel vertonen. Ook
wel ‘hogere planten genoemd’ kormo = [GR.] stam van een boom (stengel).
• Thalophyta: 'planten‘ (incl. algen, wieren, schimmels) die geen differentiatie in stengel, blad
en wortel vertonen. Ook wel ‘lagere planten’ genoemd thallos = [GR.] tak met bladeren
(bladachtige organen).
Cryptogamae vs Phaneropgamae:
• Cryptogamae: planten met een ‘verborgen’ bloeiwijze. (mossen en varenachtigen) kryptos =
[GR.] "verborgen" en gameein = [GR] "huwen“.
• Phanerogamae: planten met een zichtbare bloeiwijze (naaktzadigen en bedektzadigen)
phaneros = [GR.] "zichtbaar“.
, Evolutie en biodiversiteit Les 1: 07-10-2019
Diversiteit en evolutie van het plantenrijk
Waarom zijn planten belangrijk?
• Primaire producenten
• Basis terrestrische ecosystemen (ecosystemendiensten)
• Enorm belangrijk voor de mens: voedsel, kleding, beschutting, bier etc.
Waarom kennis plantenevolutie?
• Evolutie basis voor de indeling van planten.
• Indeling maakt rijkdom planten toegankelijk.
• Evolutie is aanpassing, aanpassing is aanwijzing (omgeving of mogelijk gebruik).
• Puzzelen, hypothetiseren, onderzoeken (taxonomie).
Virdiplantae (‘groene planten’).
• Chlorofyll a en b, met thylakoïde structuren.
• Cellulose in de celwand.
• Zetmeel.
Van ‘groene planten’ naar ‘landplanten’
1. van eencellig naar meercellig
• Efficiënt
2. ontstaan sporepolline
• Kranswieren leven in zoetwater ➔ komt droog te staan in de zomer.
• Manier voortplanten (sporen) hebben wasachtig laagje (sporepolline).
• Kan goed tegen droogte (overleven).
• Landplanten hebben deze aanpassing ook.
3. ontstaan van oögamie
Isogomie oögomie
• Zelfde energiebudget efficiënter inzetten in de fertilisatie.