Op de laatste pagina staan de antwoorden.
Vraag 1
Welke van de volgende behoeften worden volgens Maslow als fundamenteel beschouwd?
a. Erkenningsbehoeften
b. Groeibehoeften
c. Fysiologische behoeften
d. Relationele behoeften
Vraag 2
Wat houdt 'cognitieve dissonantie' in?
a. Het gebrek aan motivatie door interne conflicten
b. De onrust door tegenstrijdige attitudes of gedragingen
c. Het vermijden van verantwoordelijkheden
d. Het versterken van de groepscohesie
Vraag 3
Wat betekent 'continuïteitsbetrokkenheid'?
a. Het gevoel dat het niet fatsoenlijk is om de organisatie te verlaten
b. De wil om persoonlijk door te groeien binnen de organisatie
c. De overweging om te blijven vanwege de investeringen in het werk
d. Het plezier in het werk vanwege de sociale contacten
Vraag 4
Welke theorie verklaart gedrag door externe krachten of situaties?
a. Maslow's Behoeftehiërarchie
b. Attributietheorie
c. ERG-theorie
d. Verwachtingstheorie
Vraag 5
Wat is de 'halo-effect' in werving en selectie?
a. Het beoordelen van een kandidaat op basis van één positief aspect
b. Het negeren van negatieve feedback van medewerkers
c. Het vermijden van directe beoordeling door zelfcensuur
d. Het systematisch beoordelen van alleen zwakke kandidaten
Vraag 6
Welke fase beschrijft het ontstaan van conflicten door onduidelijkheid in groepsdoelen?
a. Oriëntatiefase
b. Stabilisatiefase
c. Prestatiefase
d. Conflictfase
Vraag 7
Bij welke vorm van ruis is er sprake van onbegrip door verschillende terminologie?
a. Fysieke ruis
b. Psychologische ruis
c. Semantische ruis