Hoorcollege 7
De ontwikkeling van lichaam, gedachten en taal
Leren over de omgeving
Belang van eerste 2 jaar → meeste onderzoek
- dmv habituatie (wennen aan objecten)
- methode: selective looking → leert meest van kijken in de omgeving (nieuwe dingen)
→ evolutionair gezien handig
- babys kijken lang naar objecten die ze nog nooit hebben gezien → vindt op een
gegeven moment habituatie plaats (baby went aan het object)
- selective looking = onderzoeksmethode die gebruik maakt van habituatie → 2
voorwerpen laten zien, baby kijkt naar nieuwe object
Baby’s: onderzoek
- alle zintuigen doen het al
- voorkeur voor ‘novelty’
- voorkeur voor beheersen omgeving → willen zelf iets beheersen, steken daar het
meeste energie in (bv rammelaar)
- oog-handcoördinatie: alles in mond stoppen, goed naar kijken, dingen rammelen →
examineren omgeving (evolutionair bepaald)
- gaan volwassenen volgen (vanaf 6 maanden) → gaze following (meekijken naar
waar de volwassene naar kijkt) en social referencing (gedrag/reactie nadoen wat de
volwassene doet → baby bang als volwassene bang reageert)
Kern-kennisprincipes: aannames hoe fysieke wereld in elkaar steekt
- empiricisten: geleidelijke ontwikkeling door ervaring
- nativisten: sommige kennis aangeboren
- experimenten welk paradigma het meest ondersteund wordt:
1. Violation-of-expectancy:
- eerste fase: habituatie
- daarna: onmogelijke gebeurtenis of mogelijke gebeurtenis
- vb: experiment met plank en bal (plank die plat ligt of met bal eronder)
- ondersteunt nativisme
2. Objectpermanentie:
- het principe dat een object blijft bestaan zelfs al zie je het niet
- kinderen onder 5 maanden hebben dit niet
- Piaget
- kiekeboe-spelletje
- dit kan komen door gemis kennis-handbeweging → wordt bevorderd
door ‘self-locomotion’ (jezelf vooruit kunnen bewegen bv kruipen)
- niet echt ondersteund
,Piaget
- kind is een ‘small scientist’: experimenteren
- autonome interesse in dingen om zich heen
- eigen acties op fysieke wereld aan het onderzoeken
- exploreert, manipuleert, test de wereld
- taal als bijeffect van denken/verbale denkvorm
Piaget’s scheme:
- mentale voorstelling van wat je met je lichaam kan doen
- scheme = representatie van wat het kan doen met een bepaalde beweging of met
een bepaald object
- assimilatie = nieuwe ervaringen in bestaande schemes proberen te passen (telefoon
gebruiken als speelgoed)
- accommodatie = het aanpassen/uitbreiden van bestaande schemes, kennis
uitbreiden door ervaring
- kinderen experimenteren dmv operations (omkeerbare dingen/acties zoals klei)
- omgeving (ouders) heeft kleine rol
- kinderen leren rationeel
4 ontwikkelingsstadia (niet empirisch ondersteund)
1. 0-2 jaar: sensorimotor stadium
- informatie over de wereld door motorische acties, feedback op zintuigen
- nog geen objectpermanentie
2. 2-7 jaar: pre-operationele stadium
- gebaseerd op verschijning, niet op principes
- voorstelling maken, niet in staat om te denken over omkering van acties
- symbolische betekenis van voorwerpen
3. 7-11 jaar: concreet-operationele stadium
- logisch nadenken over concrete zaken
- groeperen op meerdere kenmerken tegelijk → decentration
- conservatie van aantal massa gewicht → conservatietest: lang, dun glas vs
dik, klein glas
4. 12+: formeel-operationele stadium
- abstract kunnen denken, in principes
- hypothesen systematisch kunnen testen
Kritiek op Piaget:
- leeftijdsverschillen overschat: kinderen kunnen vroeg al veel meer, volwassenen
kunnen vaak minder
- vaardigheid over de stadia
- onderbelichte rol sociale ervaring (ouders)
- taal als bijeffect (paradigmaverschuiving?? → 2 andere benaderingen)
, Vygotsky
- leefde kort, dus weinig boeken geschreven
- kind is een ‘social animal’
- ouder-kind-interactie centraal
- leert tools of intellectual adaptation: taal, cultuur (in NL lange woorden voor cijfers
→ minder goed in rekenen dan bv Japanners)
- kind loopt constant stage bij ouders
- inherent sociaal cultureel → leert door je cultuur
- kind afhankelijk van omgeving → leert eerst van omgeving, daarna individueel
- leert taal om met anderen te communiceren → eerst napraten, dan internaliseren
- taal basis voor het ‘hogere denken’ → symbolisch
- zone van ‘proximal development’ (dichtbij gelegen ontwikkeling) wordt bevorderd
door oa dialogen → tegen baby’s praten met een baby-stem
- geldt ook voor het leren van andere zaken dan taal
Information processing
- componenten in brein ontwikkelen zich in verschillend tempo
- uit gedragingen blijkt dat baby’s impliciet geheugen hebben
- uit de eerste woordjes blijkt dat oudere baby’s semantisch (expliciet) geheugen
hebben (papa, mama)
- tot je 15e neemt de snelheid van werkgeheugen toe (speed of processing) →
executive functies
IP vs Piaget:
- IP niet strikte stadia
- IP gedifferentieerd systeem, Piaget (en Vygotsky) meer holistisch (geheel)
- IP veel preciezer, richt zich op componenten
Het begrijpen van andermans ‘mind’
- onjuiste overtuigingen (bv Sally-en-Anne test)
- 3 jarigen beantwoorden dit testje nog fout, 4-jarigen goed
- uitzondering: autistische kinderen → kunnen zich niet in een ander verplaatsen
- verplaatsen in iemands anders mind
- wel goed verplaatsen → in de doos (Sally-Anne)
Net-alsof spelletjes:
- veel door 2/3-jarigen
- legt basis voor inlevingsvermogen
- 2 manieren van denken → fictie en werkelijkheid
- autistische kinderen kunnen dit niet
- bv vadertje en moedertje
De ontwikkeling van lichaam, gedachten en taal
Leren over de omgeving
Belang van eerste 2 jaar → meeste onderzoek
- dmv habituatie (wennen aan objecten)
- methode: selective looking → leert meest van kijken in de omgeving (nieuwe dingen)
→ evolutionair gezien handig
- babys kijken lang naar objecten die ze nog nooit hebben gezien → vindt op een
gegeven moment habituatie plaats (baby went aan het object)
- selective looking = onderzoeksmethode die gebruik maakt van habituatie → 2
voorwerpen laten zien, baby kijkt naar nieuwe object
Baby’s: onderzoek
- alle zintuigen doen het al
- voorkeur voor ‘novelty’
- voorkeur voor beheersen omgeving → willen zelf iets beheersen, steken daar het
meeste energie in (bv rammelaar)
- oog-handcoördinatie: alles in mond stoppen, goed naar kijken, dingen rammelen →
examineren omgeving (evolutionair bepaald)
- gaan volwassenen volgen (vanaf 6 maanden) → gaze following (meekijken naar
waar de volwassene naar kijkt) en social referencing (gedrag/reactie nadoen wat de
volwassene doet → baby bang als volwassene bang reageert)
Kern-kennisprincipes: aannames hoe fysieke wereld in elkaar steekt
- empiricisten: geleidelijke ontwikkeling door ervaring
- nativisten: sommige kennis aangeboren
- experimenten welk paradigma het meest ondersteund wordt:
1. Violation-of-expectancy:
- eerste fase: habituatie
- daarna: onmogelijke gebeurtenis of mogelijke gebeurtenis
- vb: experiment met plank en bal (plank die plat ligt of met bal eronder)
- ondersteunt nativisme
2. Objectpermanentie:
- het principe dat een object blijft bestaan zelfs al zie je het niet
- kinderen onder 5 maanden hebben dit niet
- Piaget
- kiekeboe-spelletje
- dit kan komen door gemis kennis-handbeweging → wordt bevorderd
door ‘self-locomotion’ (jezelf vooruit kunnen bewegen bv kruipen)
- niet echt ondersteund
,Piaget
- kind is een ‘small scientist’: experimenteren
- autonome interesse in dingen om zich heen
- eigen acties op fysieke wereld aan het onderzoeken
- exploreert, manipuleert, test de wereld
- taal als bijeffect van denken/verbale denkvorm
Piaget’s scheme:
- mentale voorstelling van wat je met je lichaam kan doen
- scheme = representatie van wat het kan doen met een bepaalde beweging of met
een bepaald object
- assimilatie = nieuwe ervaringen in bestaande schemes proberen te passen (telefoon
gebruiken als speelgoed)
- accommodatie = het aanpassen/uitbreiden van bestaande schemes, kennis
uitbreiden door ervaring
- kinderen experimenteren dmv operations (omkeerbare dingen/acties zoals klei)
- omgeving (ouders) heeft kleine rol
- kinderen leren rationeel
4 ontwikkelingsstadia (niet empirisch ondersteund)
1. 0-2 jaar: sensorimotor stadium
- informatie over de wereld door motorische acties, feedback op zintuigen
- nog geen objectpermanentie
2. 2-7 jaar: pre-operationele stadium
- gebaseerd op verschijning, niet op principes
- voorstelling maken, niet in staat om te denken over omkering van acties
- symbolische betekenis van voorwerpen
3. 7-11 jaar: concreet-operationele stadium
- logisch nadenken over concrete zaken
- groeperen op meerdere kenmerken tegelijk → decentration
- conservatie van aantal massa gewicht → conservatietest: lang, dun glas vs
dik, klein glas
4. 12+: formeel-operationele stadium
- abstract kunnen denken, in principes
- hypothesen systematisch kunnen testen
Kritiek op Piaget:
- leeftijdsverschillen overschat: kinderen kunnen vroeg al veel meer, volwassenen
kunnen vaak minder
- vaardigheid over de stadia
- onderbelichte rol sociale ervaring (ouders)
- taal als bijeffect (paradigmaverschuiving?? → 2 andere benaderingen)
, Vygotsky
- leefde kort, dus weinig boeken geschreven
- kind is een ‘social animal’
- ouder-kind-interactie centraal
- leert tools of intellectual adaptation: taal, cultuur (in NL lange woorden voor cijfers
→ minder goed in rekenen dan bv Japanners)
- kind loopt constant stage bij ouders
- inherent sociaal cultureel → leert door je cultuur
- kind afhankelijk van omgeving → leert eerst van omgeving, daarna individueel
- leert taal om met anderen te communiceren → eerst napraten, dan internaliseren
- taal basis voor het ‘hogere denken’ → symbolisch
- zone van ‘proximal development’ (dichtbij gelegen ontwikkeling) wordt bevorderd
door oa dialogen → tegen baby’s praten met een baby-stem
- geldt ook voor het leren van andere zaken dan taal
Information processing
- componenten in brein ontwikkelen zich in verschillend tempo
- uit gedragingen blijkt dat baby’s impliciet geheugen hebben
- uit de eerste woordjes blijkt dat oudere baby’s semantisch (expliciet) geheugen
hebben (papa, mama)
- tot je 15e neemt de snelheid van werkgeheugen toe (speed of processing) →
executive functies
IP vs Piaget:
- IP niet strikte stadia
- IP gedifferentieerd systeem, Piaget (en Vygotsky) meer holistisch (geheel)
- IP veel preciezer, richt zich op componenten
Het begrijpen van andermans ‘mind’
- onjuiste overtuigingen (bv Sally-en-Anne test)
- 3 jarigen beantwoorden dit testje nog fout, 4-jarigen goed
- uitzondering: autistische kinderen → kunnen zich niet in een ander verplaatsen
- verplaatsen in iemands anders mind
- wel goed verplaatsen → in de doos (Sally-Anne)
Net-alsof spelletjes:
- veel door 2/3-jarigen
- legt basis voor inlevingsvermogen
- 2 manieren van denken → fictie en werkelijkheid
- autistische kinderen kunnen dit niet
- bv vadertje en moedertje