6.1:
Je gebruikt energie niet alleen voor bewegen, maar ook voor groei en herstel,
omgevingstemperatuur en voor bepaalde hormonen→je ruststofwisseling.
voedingsstoffen→stoffen die het lichaam goed laten functioneren;
Vetten→brandstoffen, maar ook weleens gebruikt als bouwstof voor membranen en
sommige hormonen.
Eiwitten→bouwstoffen voor cellen(structuureiwitten), enzymen en eiwithormonen
zoals insuline.
Koolhydraten→brandstof; te veel koolhydraten wordt omgezet in vet.
water→ bouwstof voor cellen, transportmiddel, oplosmiddel, warmtebuffer en
koelvloeistof.
Vitamines(organische stoffen)→regelstoffen/beschermende stoffen; het optimaal
laten functioneren van het lichaam en ziektes bestrijden.
Mineralen(anorganische stoffen)→belangrijk voor de osmotische waarde van
lichaamsvloeistoffen. Mineralen hebben verschillende functies; bouwstof en
regelstof/beschermende stof. →Van een aantal mineralen heb je maar een kleine
hoeveelheid nodig→spoorelementen.
ADH-waarden; geven aan hoeveel je van bepaalde vitaminen dient in te nemen.
Een baby heeft, relatief gezien, een groot lichaamsoppervlak; Daardoor koelt een baby snel
af. → Om warm te blijven is voldoende energie nodig, vetten en koolhydraten uit de
moedermelk leveren de nodig brandstof.--> tijdens de groei verandert de verhouding tussen
het oppervlak en volume; daardoor kan een kind zich steeds beter warm houden.
Stem je jouw voeding af op de behoefte van je lichaam, dan spreek je van gezonde
voeding→een gezellige maaltijd kan ook bijdragen aan het welbevinden van een mens. Eten
kan ook ten koste gaan van je gezondheid; Te veel zout leidt tot hogere bloeddruk, overschot
aan vetten en koolhydraten sla je op als vet; hart- en vaatziektes zijn het gevolg hiervan. Te
weinig vitamines en mineralen kan leiden tot gebreksziektes; bloedarmoede(bv).
6.2:
Mechanische verkleining:Het verteren van voedsel door bewegingen en krachten
(kauwen).
Chemische vertering: Verteringsenzymen zetten macromoleculen uit het voedsel om in
kleinere moleculen.
Vertering vindt plaats van alle moleculen van voedingsstoffen die te groot zijn om de
darmcellen te passeren en het bloed in te gaan. Veel van die moleculen zijn polymeren: ze
zijn opgebouwd uit een groot aantal vrijwel identieke moleculen; zetmeel(een
polysacharide) bestaat bv uit duizende glucose moleculen, eiwitten bestaan uit aminozuren
en DNA bestaat uit nucleotiden. →Andere, niet-polymere, moleculen die je
verteringsenzymen afbreken zijn disachariden (lactose en sacharose). Sommige
voedingsstoffen zijn al klein genoeg en hoeven dus niet verteerd te worden.
Verteringsorganen en hun verteringssappen(Binas 82CenE);
Mondholte→ zes speekselklieren→speeksel bevat een enzym dat zetmeel
afbreekt.
Slokdarm→ spieren duwen het voedsel door de slokdarm.
Maag→Je maagwand is geplooid, met monden van de maagsapklieren
ertussen→Sommige cellen maken maagzuur, hierdoor daalt de pH waarde→Andere
cellen maken pepsinogeen, een inactief eiwitsplitsend enzym die actief wordt in het
maagsap→ een derde typen cellen maakt slijm om de maag te beschermen tegen z'n
eigen verteringssappen.
Je gebruikt energie niet alleen voor bewegen, maar ook voor groei en herstel,
omgevingstemperatuur en voor bepaalde hormonen→je ruststofwisseling.
voedingsstoffen→stoffen die het lichaam goed laten functioneren;
Vetten→brandstoffen, maar ook weleens gebruikt als bouwstof voor membranen en
sommige hormonen.
Eiwitten→bouwstoffen voor cellen(structuureiwitten), enzymen en eiwithormonen
zoals insuline.
Koolhydraten→brandstof; te veel koolhydraten wordt omgezet in vet.
water→ bouwstof voor cellen, transportmiddel, oplosmiddel, warmtebuffer en
koelvloeistof.
Vitamines(organische stoffen)→regelstoffen/beschermende stoffen; het optimaal
laten functioneren van het lichaam en ziektes bestrijden.
Mineralen(anorganische stoffen)→belangrijk voor de osmotische waarde van
lichaamsvloeistoffen. Mineralen hebben verschillende functies; bouwstof en
regelstof/beschermende stof. →Van een aantal mineralen heb je maar een kleine
hoeveelheid nodig→spoorelementen.
ADH-waarden; geven aan hoeveel je van bepaalde vitaminen dient in te nemen.
Een baby heeft, relatief gezien, een groot lichaamsoppervlak; Daardoor koelt een baby snel
af. → Om warm te blijven is voldoende energie nodig, vetten en koolhydraten uit de
moedermelk leveren de nodig brandstof.--> tijdens de groei verandert de verhouding tussen
het oppervlak en volume; daardoor kan een kind zich steeds beter warm houden.
Stem je jouw voeding af op de behoefte van je lichaam, dan spreek je van gezonde
voeding→een gezellige maaltijd kan ook bijdragen aan het welbevinden van een mens. Eten
kan ook ten koste gaan van je gezondheid; Te veel zout leidt tot hogere bloeddruk, overschot
aan vetten en koolhydraten sla je op als vet; hart- en vaatziektes zijn het gevolg hiervan. Te
weinig vitamines en mineralen kan leiden tot gebreksziektes; bloedarmoede(bv).
6.2:
Mechanische verkleining:Het verteren van voedsel door bewegingen en krachten
(kauwen).
Chemische vertering: Verteringsenzymen zetten macromoleculen uit het voedsel om in
kleinere moleculen.
Vertering vindt plaats van alle moleculen van voedingsstoffen die te groot zijn om de
darmcellen te passeren en het bloed in te gaan. Veel van die moleculen zijn polymeren: ze
zijn opgebouwd uit een groot aantal vrijwel identieke moleculen; zetmeel(een
polysacharide) bestaat bv uit duizende glucose moleculen, eiwitten bestaan uit aminozuren
en DNA bestaat uit nucleotiden. →Andere, niet-polymere, moleculen die je
verteringsenzymen afbreken zijn disachariden (lactose en sacharose). Sommige
voedingsstoffen zijn al klein genoeg en hoeven dus niet verteerd te worden.
Verteringsorganen en hun verteringssappen(Binas 82CenE);
Mondholte→ zes speekselklieren→speeksel bevat een enzym dat zetmeel
afbreekt.
Slokdarm→ spieren duwen het voedsel door de slokdarm.
Maag→Je maagwand is geplooid, met monden van de maagsapklieren
ertussen→Sommige cellen maken maagzuur, hierdoor daalt de pH waarde→Andere
cellen maken pepsinogeen, een inactief eiwitsplitsend enzym die actief wordt in het
maagsap→ een derde typen cellen maakt slijm om de maag te beschermen tegen z'n
eigen verteringssappen.