Experimenteel
In correlationeel onderzoek keken we naar samenhang tussen variabelen, dit
betekende niet per se dat er een causale band was tussen de variabelen.
Voorwaarden causaliteit:
- Covariance: Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
- Temporal precedence: De oorzaak moet in tijd voorafgaan aan het
gevolg
- Internal validity: Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie
moeten zijn uitgesloten.
Met correlationeel onderzoek kunnen we de causale onderzoeksvragen niet
beantwoorden, met experimenteel onderzoek kunnen we dat wel à specifiek
gerandomiseerd experiment.
Gerandomiseerd experiment, een onderzoeksopzet waarbij:
- Door randomisatie worden de groepen ingedeeld
- De onderzoeker een variabele manipuleert (varieert) à de ene groep krijgt
bijv. wel een behandeling en de andere groep niet. De onderzoeker
bepaald hier.
- De onderzoeker het effect daarvan op een andere variabele meet.
Doel van randomisatie (willekeurige toewijzing)
Volledige willekeurig ingedeeld. Door gebruik van randomisatie hebben we de
grootste kans dat in de groepen:
- De gemiddelde scores en spreiding in scores
- Op alle variabelen, zowel gemeten als ongemeten
- Bij aanvang vergelijkbaar zijn.
Voorbeeld
Kinderen met rekenproblemen doen mee aan een experiment, de ene groep
krijgt een specifieke instructiemethodes (Directe instructie) à experimentele
groep.
De andere groep krijgt geen specifieke instructie à controlegroep
We kijken naar effect, dus we stellen een causale onderzoeksvraag op.
Is er effect van een specifieke rekeninstructie in vergelijking met een
controlegroep op de rekenprestaties van kinderen met rekenproblemen?
Afhankelijke variabele: rekenprestaties na het experiment (wordt beïnvloed)
Onafhankelijke variabele: rekeninstructie (drukt invloed uit)
We willen weten of de afhankelijke variabele afhangt van het niveau van de
onafhankelijke variabele; maakt het voor je rekenprestaties uit in welke groep je
zit?
, Een onderzoeksvraag van experimenteel onderzoek kun je herkennen aan de
volgende elementen:
1) Population: de populatie waar je een uitspraak over wil doen.
2) Intervention: niveaus van de gemanipuleerde/onafhankelijke variabele
3) Comparison: groepen die vergeleken worden
4) Outcome: gemeten/afhankelijke variabele
Voorbeeld:
P = Kinderen met rekenproblemen
I = Rekeninstructie (onafhankelijke variabele)
C = Directe instructie vs. Controlegroep
O = Rekenprestaties (afhankelijke variabele)
Onderzoekers willen weten of kinderen in de directe instructiegroep een hoger
gemiddelde rekenscore hebben dan kinderen in de controlegroep. Het
experiment is uitgevoerd bij 140 kinderen. Wat vinden we in deze steekproef en
wat kunnen we hieruit concluderen?
Als we willen kijken of de steekproef representatief is voor de populatie kunnen
we de NHST gebruiken. Deze heeft dezelfde stappen als bij correlationeel
onderzoek.
NHST
Stap 1: Toetskeuze, hypothese bepalen en significantieniveau kiezen
Stap 2: Assumpties controleren
Stap 3: Toetsingsgrootheid en p-waarde bepalen
Stap 4: Conclusie trekken over H0
Stap 5: Inhoudelijke conclusie en effectgrootte bepalen
Stap 1: om een verschil tussen een experimentelen en controlegroep te
analyseren, gebruiken we de t-toets voor onafhankelijke groepen
(analysetechniek), waarin gemiddelde scores met elkaar worden vergeleken. à
Willen een uitspraak doen over het gemiddelde in de ene populatie en de andere
populatie. Hiervoor gebruiken we de Griekse letter Mu (µ)
Nulhypothese: we verwachten dat er geen verschil is.
DI = Directe instructie groep
C = Controlegroep