A. De eerste naamval heet in het Duits: der Nominativ
1. Het onderwerp staat in de Nominativ
2. Ook het naamwoordelijk deel van het gezegde staat in de Nominativ
In een zin met een naamwoordelijk deel van het gezegde staat een koppelwerkwoord
(sein/werden) en heb je dus twee keer een Nominativ!!
1. Der Nachbar grüßt immer freundlich.
der Nachbar = onderwerp = Nominativ
2. Der Nachbar ist ein netter Kerl (De buurman is een aardige kerel.)
der Nachbar = onderwerp = Nominativ
ein netter Kerl = naamwoordlijk deel v.h. gezegde = Nominativ
ist = koppelwerkwoord
B. De vierde naamval heet in het Duits: der Akkusativ
1. Het lijdend voorwerp staat in de vierde naamval.
2. Ook krijg je een vierde naamval na de voorzetsels:
bis = tot
durch = door
für = voor
gegen = tegen
ohne = zonder
um = om
1. Ich kaufe einen Laptop.
einen Laptop = lijdend voorwerp = Akkusativ
2. Ich kaufe Blumen für meine Mutter.
für meine Mutter = Akkusativ (vanwege het voorzetsel ‘für)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
C. De derde naamval heet in het Duits: der Dativ
1. Het meewerkend voorwerp staat in de derde naamval.
Voor het meewerkend voorwerp kun je “aan/voor” zetten (TEST!), maar je kunt
het ook weglaten.
, 2. Ook krijg je een derde naamval na de voorzetsels:
aus = uit
bei = bij
mit = met
nach = naar (plaatsnamen en landen)
seit = sinds
von = van
zu = naar (personen)
1. Er gibt seinen Freunden auch ein Stück Kuchen.
Sie erzählt ihrer Freundin immer alles.
Er zeigt seinem Freund sein neues Handy.
Ich kaufe meiner Mutter Blumen.
Hij geeft (aan) zijn vrienden ook een stuk taart.
Zij vertelt (aan) haar vriendin altijd alles.
Hij toont (aan) zijn vriend zijn nieuwe mobieltje.
Ik koop (voor) mijn moeder bloemen.
seinen Freunden/ihrer Freundin/seinem Freund/meiner Mutter =
meewerkend voorwerp = Dativ
2. Er spielt Computerspiele mit seinen Freunden.
Sie ist jetzt bei ihrer Freundin.
Peter geht zu seinem Freund.
Hij speelt computerspelletjes met zijn vrienden.
Zij is nu bij haar vriendin.
Peter gaat naar zijn vriend.
mit seinen Freunden/bei ihrer Freundin/zu seinem Freund = Dativ (vanwege
de voorzetsels mit, bei, zu)
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
D. het schema van het bepaalde lidwoord:
m v o mv
1 der Laptop die Schule das Handy die Medikamente
3 dem Laptop der Schule dem Handy den Medikamenten
4 den Laptop die Schule das Handy die Medikamente