Hoorcollege 4 (24-2): Ontstaan van de geesteswetenschappen
Een revolutie in de geesteswetenschappen?
- Handboek: rond 1800 revolutie in geesteswetenschappen.
o Sprake van een tamelijk fundamentele breuk rond 1800.
o Breuk in verband met opkomst historisme.
- Niet iedereen van mening dat de revolutie in geesteswetenschappen rond 1800
plaatsen/onderscheiden.
- Al dan niet spreken over revolutie afhankelijk van filosofische aannames over ontwikkeling
wetenschap:
o Lineaire accumulatie van kennis (logisch empirisme, Popper).
Wetenschappelijke methoden maken lineaire accumulatie mogelijk.
o Radicale breuken in fundament kennis (Kuhn, Foucault).
Rond 1800 wezenlijke veranderingen in de geesteswetenschappen.
Handboek sluit aan bij Foucault.
- Rond 1800:
o Historisering van het wereldbeeld (historisch denken wordt radicaler).
o Nieuwe notie van individualiteit (mensen, naties en volken worden als in zichzelf
besloten individualiteit gezien).
o Cf. Foucault, ‘Les mots et les choses’.
- In die context:
o De geesteswetenschappen gaan zich als empirische wetenschappen definiëren.
Belangrijke breuk.
Geschiedenis wordt een empirische wetenschap en spiegelt zich aan de
natuurwetenschappen.
o Contrast met de opkomende sociale wetenschappen.
Culturele achtergrond
Spanning tussen de Verlichting en de Romantiek.
- Historisch bestuderen:
o Romantiek tegenbeweging tegen de Verlichting.
Moderne geesteswetenschappen in contrast tussen Verlichting en
Romantiek begrijpen.
Contrast spelt zich tegenwoordig ook nog (contrast tussen volken met eigen
culturen en het idee van universele normen en waarden).
- Voorgeschiedenis Verlichting en Romantiek:
o Renaissance:
Het individu wordt ontdekt.
De geschiedenis wordt ontdekt (idee van het anachronisme).
Renaissance contrasteren zich met de Middeleeuwen en spiegelen zich aan
de Oudheid.
Middeleeuwen is een heel ander tijdperk, maar de Oudheid kan
geïmiteerd worden in het heden.
Veronderstelling dat de Oudheid voldoende gelijk is aan het heden
om als voorbeeld te functioneren -> paradoxaal denken.
o Quérelle des Anciens et des Modernes:
Literaire discussie late zeventiende eeuw. In hoeverre kon de Oudheid nog
als voorbeeld dienen voor kunst en literatuur?
Anciens: literatuur van de Oudheid nog steeds rol vervullen in het
heden.
, Modernes: Oudheid niet vanzelfsprekend meer als voorbeeld
dienen, moderne tijd is ander dan de Oudheid. Moderne tijd in
bepaalde opzichten beter dan de Oudheid (moderne
natuurwetenschappen). Wetenschappelijke Revolutie gebruikt als
aspect van het heden en moderniteit -> beter dan de Oudheid.
Discussie waarin voor het eerst sprake is van een eigen waarde, waardering
van het moderne. Modern komt op als een problematische term.
o Verlichting:
Waardering van de moderne tijd wordt sterker en wordt benadrukt.
Karakterisering van het denken van de Verlichting:
Geschiedenis wordt als een proces van vooruitgang gezien. Het
heden krijgt een eigen karakter en er wordt gezegd dat het heden
beter is dan het verleden. Radicalisering van de positie van de
modernes.
Het heden is rationeler, dus beter dan het verleden. Vooruitgang
wordt gerealiseerd door middel van de rede. De rede wordt het
middel waarmee de mens zich kan bevrijden van dwang van natuur
en traditie.
o Natuur beperkt de mens in vermogen rede te ontplooien.
o Met de rede kan afstand genomen worden van de traditie.
o Idee van de maakbaarheid van de samenleving via de rede.
Autonomie van het individu. Individu kan zichzelf de wet stellen op
basis van rationele vermogen.
Noties van individualiteit en historiciteit:
o Autonomie en vooruitgang.
o Universele notie van rationaliteit ligt hierachter.
o Romantiek:
Culturele beweging late achttiende en vroege negentiende eeuw.
Beweging die literatuur en kunst tussen 1790 en 1820 in Duitsland en
Engeland heeft beïnvloed.
Op veel plekken in Europa tot 1850 zeer dominant.
Contrasteert zich met het gedachtegoed van de Verlichting:
Radicale historisering van het wereldbeeld. Verwerping van
vooruitgangsdenken van de verlichting.
o Iedere tijd heeft eigen normen en waarden die niet aan
moderne normen en waarden getoetst kunnen worden.
Moderne historische besef wordt hier gecreëerd. Grote
nadruk op het verschil tussen heden en verleden.
Verwerping van het rationaliteitsbesef.
o Mens is meer dan alleen een redelijk wezen. Het gevoel
wordt een centrale categorie. Niet langer de nadruk op rede
als emanciperend, natuur niet langer als belemmering van
vooruitgang maar als bron van inspiratie gezien.
Unieke individualiteit. Radicalisering van het individualisme.
o Verlichting ziet individu vooral als autonoom subject, verzet
zich door rede.
o Romantiek legt nadruk op de uniciteit van het individu. Alle
mensen zijn volstrekt unieke wezens. Hierin ligt volgens de
Romantiek de waarde van de mens.
o Toepassing op maatschappelijke en culturele fenomenen.
Ook volken hebben unieke karakters, geen universele
Een revolutie in de geesteswetenschappen?
- Handboek: rond 1800 revolutie in geesteswetenschappen.
o Sprake van een tamelijk fundamentele breuk rond 1800.
o Breuk in verband met opkomst historisme.
- Niet iedereen van mening dat de revolutie in geesteswetenschappen rond 1800
plaatsen/onderscheiden.
- Al dan niet spreken over revolutie afhankelijk van filosofische aannames over ontwikkeling
wetenschap:
o Lineaire accumulatie van kennis (logisch empirisme, Popper).
Wetenschappelijke methoden maken lineaire accumulatie mogelijk.
o Radicale breuken in fundament kennis (Kuhn, Foucault).
Rond 1800 wezenlijke veranderingen in de geesteswetenschappen.
Handboek sluit aan bij Foucault.
- Rond 1800:
o Historisering van het wereldbeeld (historisch denken wordt radicaler).
o Nieuwe notie van individualiteit (mensen, naties en volken worden als in zichzelf
besloten individualiteit gezien).
o Cf. Foucault, ‘Les mots et les choses’.
- In die context:
o De geesteswetenschappen gaan zich als empirische wetenschappen definiëren.
Belangrijke breuk.
Geschiedenis wordt een empirische wetenschap en spiegelt zich aan de
natuurwetenschappen.
o Contrast met de opkomende sociale wetenschappen.
Culturele achtergrond
Spanning tussen de Verlichting en de Romantiek.
- Historisch bestuderen:
o Romantiek tegenbeweging tegen de Verlichting.
Moderne geesteswetenschappen in contrast tussen Verlichting en
Romantiek begrijpen.
Contrast spelt zich tegenwoordig ook nog (contrast tussen volken met eigen
culturen en het idee van universele normen en waarden).
- Voorgeschiedenis Verlichting en Romantiek:
o Renaissance:
Het individu wordt ontdekt.
De geschiedenis wordt ontdekt (idee van het anachronisme).
Renaissance contrasteren zich met de Middeleeuwen en spiegelen zich aan
de Oudheid.
Middeleeuwen is een heel ander tijdperk, maar de Oudheid kan
geïmiteerd worden in het heden.
Veronderstelling dat de Oudheid voldoende gelijk is aan het heden
om als voorbeeld te functioneren -> paradoxaal denken.
o Quérelle des Anciens et des Modernes:
Literaire discussie late zeventiende eeuw. In hoeverre kon de Oudheid nog
als voorbeeld dienen voor kunst en literatuur?
Anciens: literatuur van de Oudheid nog steeds rol vervullen in het
heden.
, Modernes: Oudheid niet vanzelfsprekend meer als voorbeeld
dienen, moderne tijd is ander dan de Oudheid. Moderne tijd in
bepaalde opzichten beter dan de Oudheid (moderne
natuurwetenschappen). Wetenschappelijke Revolutie gebruikt als
aspect van het heden en moderniteit -> beter dan de Oudheid.
Discussie waarin voor het eerst sprake is van een eigen waarde, waardering
van het moderne. Modern komt op als een problematische term.
o Verlichting:
Waardering van de moderne tijd wordt sterker en wordt benadrukt.
Karakterisering van het denken van de Verlichting:
Geschiedenis wordt als een proces van vooruitgang gezien. Het
heden krijgt een eigen karakter en er wordt gezegd dat het heden
beter is dan het verleden. Radicalisering van de positie van de
modernes.
Het heden is rationeler, dus beter dan het verleden. Vooruitgang
wordt gerealiseerd door middel van de rede. De rede wordt het
middel waarmee de mens zich kan bevrijden van dwang van natuur
en traditie.
o Natuur beperkt de mens in vermogen rede te ontplooien.
o Met de rede kan afstand genomen worden van de traditie.
o Idee van de maakbaarheid van de samenleving via de rede.
Autonomie van het individu. Individu kan zichzelf de wet stellen op
basis van rationele vermogen.
Noties van individualiteit en historiciteit:
o Autonomie en vooruitgang.
o Universele notie van rationaliteit ligt hierachter.
o Romantiek:
Culturele beweging late achttiende en vroege negentiende eeuw.
Beweging die literatuur en kunst tussen 1790 en 1820 in Duitsland en
Engeland heeft beïnvloed.
Op veel plekken in Europa tot 1850 zeer dominant.
Contrasteert zich met het gedachtegoed van de Verlichting:
Radicale historisering van het wereldbeeld. Verwerping van
vooruitgangsdenken van de verlichting.
o Iedere tijd heeft eigen normen en waarden die niet aan
moderne normen en waarden getoetst kunnen worden.
Moderne historische besef wordt hier gecreëerd. Grote
nadruk op het verschil tussen heden en verleden.
Verwerping van het rationaliteitsbesef.
o Mens is meer dan alleen een redelijk wezen. Het gevoel
wordt een centrale categorie. Niet langer de nadruk op rede
als emanciperend, natuur niet langer als belemmering van
vooruitgang maar als bron van inspiratie gezien.
Unieke individualiteit. Radicalisering van het individualisme.
o Verlichting ziet individu vooral als autonoom subject, verzet
zich door rede.
o Romantiek legt nadruk op de uniciteit van het individu. Alle
mensen zijn volstrekt unieke wezens. Hierin ligt volgens de
Romantiek de waarde van de mens.
o Toepassing op maatschappelijke en culturele fenomenen.
Ook volken hebben unieke karakters, geen universele