Hoorcollege 3 (17-2): Klassieke wetenschapsfilosofie van de twintigste eeuw
Kentheorie
- Epistemologie.
- Wat is kennis?
o Gerechtvaardigde ware overtuiging.
o Wat is waarheid? Hoe waarheden overtuigen?
- Hoe kunnen we kennis verwerven?
o Op basis van waarnemingen of op basis van elementaire waarheden? Andere
manieren?
- Hoe kunnen we kennis rechtvaardigen?
- In vroegmoderne kentheorie is antwoord op twee en drie vrijwel hetzelfde. In twintigste
eeuw lopen antwoorden uiteen.
Kennis en wetenschap in de vroegmoderne filosofie:
Descartes:
- Rationalisme: fundament van kennis ligt in ‘idées claires et distinctes’, heldere ideeën.
- Materiële wereld als rex extensa beschouwen.
Hume:
- Empirisme: waarneming is het fundament van kennis. Iets nieuws zeggen over de wereld
moet volgen aan waarnemingen.
o Voorafgaand aan ervaring -> a priori.
o Volgend op ervaring -> a posteriori.
o Empirisme verwerpt de gedachte dat je iets over de wereld kunt zeggen zonder
ervaringen.
- Radicaal empirist, leidt tot scepticisme.
Kant:
- Transcendentaal idealisme: uitgaan van de kennis zoals deze is (natuurkunde van Newton) en
vraag stellen onder welke voorwaarden deze kennis waar is.
o Mogelijkheidsvoorwaarde liggen in structuur van kenvermogen.
o Kennis komt voort uit menselijke geest.
- Structuur van kenvermogen maakt het mogelijk dingen over de wereld te zeggen
voorafgaand aan ervaringen.
- Menselijke geest vormt mede kennis (tegenovergestelde van Humes theorie).
Negentiende eeuw:
- Kants filosofie zeer populair.
- Natuurkunde van Newton als onbetwijfelbaar waar beschouwd.
- Natuurkunde niet interessant om te bestuderen -> bijna af.
Revolutie in de natuurwetenschap in de vroege twintigste eeuw:
Albert Einstein (1879-1955):
- Relativiteitstheorie:
o Natuurkundige wetten zijn waar relatief ten opzichte van de waarneming.
- Ruimte en tijd vierdimensionaal geheel.
- Niet-euclidische meetkunde:
o Euclidische meetkunde in driedimensionaal assenstelsel (grondslag van natuurkunde
van Newton).
o In negentiende eeuw ontdekking van andere ruimtes constiperen.
, Som van de hoeken van de driehoek anders in verschillende ruimten.
Euclidische meetkunde niet onbetwist.
o In kader relativiteitstheorie:
Objecten met grote massa krommen de ruimte om hen heen, in deze ruimte
beweging van planeet beschouwen als rechte lijn. Andere manier van kijken
naar zwaartekracht.
Filosofische reflectie op wetenschappelijke ontwikkelingen in de vroege twintigste eeuw:
- Kennis verandert, hoe deze rechtvaardigen? Waarom beter dan oude kennis?
- Reflectie op wetenschap gaat zichzelf wetenschapsfilosofie noemen.
o Ontstaat als deelgebied van de filosofie. Filosofische sub discipline.
Logisch empirisme:
- Filosofische reflectie op ontwikkelingen twintigste eeuw.
- Wiener Kreis:
o Wetenschapsfilosofen.
- Sterk tegen metafysica gericht (problematisch).
- Stellingen in wetenschapsfilosofie verhouden zich tot het logisch empirisme.
- Je kunt alleen maar iets over de wereld/werkelijkheid zeggen volgend uit ervaringen.
o Synthetische component (wereld/feiten), berust op onbemiddelde ervaring.
o Analytische component (wiskunde), berust op conventie en afspraken.
- Fundamentele aannames:
o Verwerping synthetische a priori kennis.
Idee dat mechanica en euclidische meetkunde niet onveranderd bleken te
zijn. Fundamenten blijken niet onveranderlijk.
Alle dingen die a priori kunnen worden gezegd zijn analytisch en berusten op
conventies. Alles wat over de werkelijkheid wordt gezegd berust op
waarnemingen.
o Verificationisme.
Verificatie criterium van betekenis.
Betekenis van de uitspraak ligt in de methode van verificatie. Maakt de
uitspraak betekenisvol én verifieerbaar.
Geldt niet voor alle uitspraken, sommige uitspraken niet verifieerbaar én
betekenisloos.
Problematische aanname. Universele uitspraken en aannames zijn
problematisch.
Eerder naar empirische conformatie kijken in plaats van
verifieerbaarheid.
o Reductionisme.
Aanname dat elke betekenisvolle uitspraak gereduceerd moet kunnen
worden tot uitspraak over directe waarneming.
Onduidelijk waar dit eindigt:
Zuivere feiten? Zoals in de natuurkunde (fysicalisme/positivisme).
Zuivere elementaire ervaringen? Fenomenalisme.
Waarnemingen zijn onafhankelijk van theorie.
- Fundamentele aannames liggen in elkaars verlengde en hangen met elkaar samen.
- Logisch empirisme deels geworteld in linguistic turn.
o Wending naar de taal in de filosofie in vroege twintigste eeuw.
o Verschil maken tussen empirisme van logisch empiristen en empirisme van Hume.
o Verschil tussen twee manieren van kijken naar wetenschap vloeit hieruit voort:
Benaderen vanuit context of justification (rechtvaardigingscontext):
Kentheorie
- Epistemologie.
- Wat is kennis?
o Gerechtvaardigde ware overtuiging.
o Wat is waarheid? Hoe waarheden overtuigen?
- Hoe kunnen we kennis verwerven?
o Op basis van waarnemingen of op basis van elementaire waarheden? Andere
manieren?
- Hoe kunnen we kennis rechtvaardigen?
- In vroegmoderne kentheorie is antwoord op twee en drie vrijwel hetzelfde. In twintigste
eeuw lopen antwoorden uiteen.
Kennis en wetenschap in de vroegmoderne filosofie:
Descartes:
- Rationalisme: fundament van kennis ligt in ‘idées claires et distinctes’, heldere ideeën.
- Materiële wereld als rex extensa beschouwen.
Hume:
- Empirisme: waarneming is het fundament van kennis. Iets nieuws zeggen over de wereld
moet volgen aan waarnemingen.
o Voorafgaand aan ervaring -> a priori.
o Volgend op ervaring -> a posteriori.
o Empirisme verwerpt de gedachte dat je iets over de wereld kunt zeggen zonder
ervaringen.
- Radicaal empirist, leidt tot scepticisme.
Kant:
- Transcendentaal idealisme: uitgaan van de kennis zoals deze is (natuurkunde van Newton) en
vraag stellen onder welke voorwaarden deze kennis waar is.
o Mogelijkheidsvoorwaarde liggen in structuur van kenvermogen.
o Kennis komt voort uit menselijke geest.
- Structuur van kenvermogen maakt het mogelijk dingen over de wereld te zeggen
voorafgaand aan ervaringen.
- Menselijke geest vormt mede kennis (tegenovergestelde van Humes theorie).
Negentiende eeuw:
- Kants filosofie zeer populair.
- Natuurkunde van Newton als onbetwijfelbaar waar beschouwd.
- Natuurkunde niet interessant om te bestuderen -> bijna af.
Revolutie in de natuurwetenschap in de vroege twintigste eeuw:
Albert Einstein (1879-1955):
- Relativiteitstheorie:
o Natuurkundige wetten zijn waar relatief ten opzichte van de waarneming.
- Ruimte en tijd vierdimensionaal geheel.
- Niet-euclidische meetkunde:
o Euclidische meetkunde in driedimensionaal assenstelsel (grondslag van natuurkunde
van Newton).
o In negentiende eeuw ontdekking van andere ruimtes constiperen.
, Som van de hoeken van de driehoek anders in verschillende ruimten.
Euclidische meetkunde niet onbetwist.
o In kader relativiteitstheorie:
Objecten met grote massa krommen de ruimte om hen heen, in deze ruimte
beweging van planeet beschouwen als rechte lijn. Andere manier van kijken
naar zwaartekracht.
Filosofische reflectie op wetenschappelijke ontwikkelingen in de vroege twintigste eeuw:
- Kennis verandert, hoe deze rechtvaardigen? Waarom beter dan oude kennis?
- Reflectie op wetenschap gaat zichzelf wetenschapsfilosofie noemen.
o Ontstaat als deelgebied van de filosofie. Filosofische sub discipline.
Logisch empirisme:
- Filosofische reflectie op ontwikkelingen twintigste eeuw.
- Wiener Kreis:
o Wetenschapsfilosofen.
- Sterk tegen metafysica gericht (problematisch).
- Stellingen in wetenschapsfilosofie verhouden zich tot het logisch empirisme.
- Je kunt alleen maar iets over de wereld/werkelijkheid zeggen volgend uit ervaringen.
o Synthetische component (wereld/feiten), berust op onbemiddelde ervaring.
o Analytische component (wiskunde), berust op conventie en afspraken.
- Fundamentele aannames:
o Verwerping synthetische a priori kennis.
Idee dat mechanica en euclidische meetkunde niet onveranderd bleken te
zijn. Fundamenten blijken niet onveranderlijk.
Alle dingen die a priori kunnen worden gezegd zijn analytisch en berusten op
conventies. Alles wat over de werkelijkheid wordt gezegd berust op
waarnemingen.
o Verificationisme.
Verificatie criterium van betekenis.
Betekenis van de uitspraak ligt in de methode van verificatie. Maakt de
uitspraak betekenisvol én verifieerbaar.
Geldt niet voor alle uitspraken, sommige uitspraken niet verifieerbaar én
betekenisloos.
Problematische aanname. Universele uitspraken en aannames zijn
problematisch.
Eerder naar empirische conformatie kijken in plaats van
verifieerbaarheid.
o Reductionisme.
Aanname dat elke betekenisvolle uitspraak gereduceerd moet kunnen
worden tot uitspraak over directe waarneming.
Onduidelijk waar dit eindigt:
Zuivere feiten? Zoals in de natuurkunde (fysicalisme/positivisme).
Zuivere elementaire ervaringen? Fenomenalisme.
Waarnemingen zijn onafhankelijk van theorie.
- Fundamentele aannames liggen in elkaars verlengde en hangen met elkaar samen.
- Logisch empirisme deels geworteld in linguistic turn.
o Wending naar de taal in de filosofie in vroege twintigste eeuw.
o Verschil maken tussen empirisme van logisch empiristen en empirisme van Hume.
o Verschil tussen twee manieren van kijken naar wetenschap vloeit hieruit voort:
Benaderen vanuit context of justification (rechtvaardigingscontext):