Les 1:
- De verschillende onderdelen van het gebit:
1 = Glazuurlaag (email)
2 = tandbeen (dentine)
3 = tandpulpa (pulpa dentis)
4 = pulpaholte
5 = cement (substantia ossea)
6 = gingiva (tandvlees)
7 = kaakbot (alveolair bot)
8 = parodontale ligament
9 = sulcus gingivalis
10 = epitheliale aanhechting
11 = pocket bb
A = kroon (corona dentis)
B = tandhals (collum dentis)
C = tandwortel (radix dentis)
, - Functies van het gebit:
Voedsel opname, verdedigen, aanvallen, grijpen, vasthouden en doden prooi, wroeten.
- Verschillende soorten gebitten:
Carnivoor (vleeseter, kat)
Herbivoor (planteneten , koe)
Omnivoor (alleseter, everzwijn)
- Van boven naar beneden:
Kroon: deze is bedekt met glazuur.
Hals: overgang van de kroon naar de wortel en de overgang van glazuur naar cement.
Wortel: zit onder het tandvlees.
- Wat is glazuur:
Het is een anorganische stof. Het geeft bescherming en het herstelt niet na beschadiging. Dit zit over
de tand. Het is dus de buitenste laag.
- Wat is dentine:
Dit zit onder de glazuur laag. Het is van tandbeen en is zachter. Het kan eventueel herstellen bij
beschadiging. En het is erg gevoelig. Dit zit een laag onder de glazuur laag.
- Wat is tandplak:
Dit word ook wel tandmerg genoemd. Het licht onder de dentine laag en is dus de derde laag vanaf
buiten. Dit is het levende gedeelte van de tand. Het bevat bloedvaten, botcellen, lymfevaten en
zenuwen. Het zit in de kroon (tandholte) en in de wortel (wortelkanaal).
, - Rondom de tand:
Wat is het parodontium?: steunweefsel rondom het element.
Hiermee zitten de tanden en kiezen vast in de mond.
Waar bestaat het uit?: Gingiva, parodontale ligament,
wortelcement en kaakbot.
- Wat betekenen de volgende woorden:
Gingiva: het tandvlees
Paradontale ligament: tussen cement en kaakbot.
Wortel cement: omhult dentine aan wortelzijde
Alveolair bot: kaakbot.
- Pocket:
Tussen het tandvlees en de tand zit een kleine holte. Dit is de pocket. De diepte van
deze holte kan je meten met een sonde. De diepte zegt iets over de mate van de
ontsteking.
- Verschillende soorten schedelvormen:
Dolichocefaal: lange smalle snuit (collie en sheltie )
Mesocefaal: gemiddelde lengte en breedte van de snuit (herdershonden en retrievers)
Brachycefaal: korte brede snuit (Bull dog en boxer)
- De beet:
De meeste honden hebben een schaargebit. Als het gebit niet goed
op mekaar staat dan noem je het malocclusie.