Onderzoek doen & toepassen
Les 1.1: de onderzoekende houding van de verpleegkundige.
Na deze les kun je:
- Benoemen wat de kenmerken van een onderzoeker zijn;
- Verwoorden wat de onderzoekscyclus is;
- Uitleggen wat de fasen van (praktijkgericht) onderzoek zijn.
Hoofdstuk 1:
- Informele observatie: observeren in het dagelijks leven, niet echt onderzoeken
- Systematische observatie: met een vastgesteld stappenplan onderzoek doen
- Kwantitatieve methode: het gebruik van cijfermatige informatie
- Bij kwalitatieve methode: onderzoek met behulp van niet-cijfermatige gegevens.
Onderzoeker voert onderzoek uit in de werkelijkheid, onderzoekt in de omgeving als geheel
(holisme). Interviewen, niet meetbaar.
- Inductief onderzoek: theorie-ontwikkelend onderzoek, vooraf geen theorie bekend.
- Deductief onderzoek: theorietoetsend onderzoek
- 3 kenmerken van een onderzoeker;
o (Kritische) houding moet onafhankelijk zijn (streven naar openheid van je
onderzoek)
o Kennis van methoden en over het onderwerp
o Je krijgt vaardigheid in het doen van een onderzoek
- Validiteit (geldigheid) er mogen geen fouten in het onderzoek zitten. Als je de juiste
conclusies kunt trekken, heet het onderzoek intern valide.
Het belangrijkste verschil tussen fundamenteel onderzoek en praktijkgericht onderzoek is het soort
probleem dat je ermee oplost. Bij fundamenteel onderzoek beantwoord je meestal vragen om kennis
te ontwikkelen, kennisvragen dus. Bij praktijkgericht onderzoek houd je je meer bezig met het
oplossen van praktijkproblemen: praktijkvragen. Een praktijkvraag is afkomstig uit de dagelijkse
praktijk, uit de samenleving.
Wat is een wetenschappelijk onderzoek? Voldoet aan bepaalde standaarden van kwaliteit.
Onderzoeksvraag formuleren: probleem in de praktijk, je wil er meer over weten, wat is het effect
van handen wassen in een algemeen ziekenhuis?
Verschillende methoden gebruiken om data te verzamelen heet triangulatie (driehoeksmeting).
Mixed methodebenadering is onderzoek waarbij kwalitatieve en kwantitatieve methoden worden
omgezet.
Tijdens onderzoek voortdurend vragen stellen, zoals:
1. Wat ga ik onderzoeken?
2. Waarom ga ik onderzoeken?
3. Wie ga ik onderzoeken?
4. Hoe ga ik onderzoeken?
5. Waar ga ik onderzoeken?
6. Wanneer ga ik onderzoeken?
, De fasen van een (parktijkgericht) onderzoek:
1. Informatie verzamelen, probleemanalyse. Wat is het probleem? Voor wie? Het maken van
een onderzoeksvraag
2. Bestuderen van bronnen en bouwen onderzoeksmodel. Methode kiezen die past bij
onderzoeksvraag: ervaring interview (kwalitatief onderzoek), kwantitatief onderzoek
(cijfers krijgen)
3. Data verzamelen observeren, gegevens verzamelen
4. Gegevens analyseren wat kan ik hieruit concluderen?
5. Verslaglegging je schrijft het op.
6. Vergelijk onderzoeksresultaten met die van anderen, heb ik het goed gedaan?
Onderzoekscyclus:
1. Ontwerpen: doel en probleemstelling beschrijven, welke instrumenten, betrokkenen
2. Gegevens verzamelen: na vaststellen ontwerp onderzoek uitvoeren
3. Analyseren: verzamelde gegevens analyseren aan de hand van verschillende
analysemethoden (kwantitatief of kwalitatief)
4. Evalueren en adviseren: helemaal terug kijken
Les 1.1: de onderzoekende houding van de verpleegkundige.
Na deze les kun je:
- Benoemen wat de kenmerken van een onderzoeker zijn;
- Verwoorden wat de onderzoekscyclus is;
- Uitleggen wat de fasen van (praktijkgericht) onderzoek zijn.
Hoofdstuk 1:
- Informele observatie: observeren in het dagelijks leven, niet echt onderzoeken
- Systematische observatie: met een vastgesteld stappenplan onderzoek doen
- Kwantitatieve methode: het gebruik van cijfermatige informatie
- Bij kwalitatieve methode: onderzoek met behulp van niet-cijfermatige gegevens.
Onderzoeker voert onderzoek uit in de werkelijkheid, onderzoekt in de omgeving als geheel
(holisme). Interviewen, niet meetbaar.
- Inductief onderzoek: theorie-ontwikkelend onderzoek, vooraf geen theorie bekend.
- Deductief onderzoek: theorietoetsend onderzoek
- 3 kenmerken van een onderzoeker;
o (Kritische) houding moet onafhankelijk zijn (streven naar openheid van je
onderzoek)
o Kennis van methoden en over het onderwerp
o Je krijgt vaardigheid in het doen van een onderzoek
- Validiteit (geldigheid) er mogen geen fouten in het onderzoek zitten. Als je de juiste
conclusies kunt trekken, heet het onderzoek intern valide.
Het belangrijkste verschil tussen fundamenteel onderzoek en praktijkgericht onderzoek is het soort
probleem dat je ermee oplost. Bij fundamenteel onderzoek beantwoord je meestal vragen om kennis
te ontwikkelen, kennisvragen dus. Bij praktijkgericht onderzoek houd je je meer bezig met het
oplossen van praktijkproblemen: praktijkvragen. Een praktijkvraag is afkomstig uit de dagelijkse
praktijk, uit de samenleving.
Wat is een wetenschappelijk onderzoek? Voldoet aan bepaalde standaarden van kwaliteit.
Onderzoeksvraag formuleren: probleem in de praktijk, je wil er meer over weten, wat is het effect
van handen wassen in een algemeen ziekenhuis?
Verschillende methoden gebruiken om data te verzamelen heet triangulatie (driehoeksmeting).
Mixed methodebenadering is onderzoek waarbij kwalitatieve en kwantitatieve methoden worden
omgezet.
Tijdens onderzoek voortdurend vragen stellen, zoals:
1. Wat ga ik onderzoeken?
2. Waarom ga ik onderzoeken?
3. Wie ga ik onderzoeken?
4. Hoe ga ik onderzoeken?
5. Waar ga ik onderzoeken?
6. Wanneer ga ik onderzoeken?
, De fasen van een (parktijkgericht) onderzoek:
1. Informatie verzamelen, probleemanalyse. Wat is het probleem? Voor wie? Het maken van
een onderzoeksvraag
2. Bestuderen van bronnen en bouwen onderzoeksmodel. Methode kiezen die past bij
onderzoeksvraag: ervaring interview (kwalitatief onderzoek), kwantitatief onderzoek
(cijfers krijgen)
3. Data verzamelen observeren, gegevens verzamelen
4. Gegevens analyseren wat kan ik hieruit concluderen?
5. Verslaglegging je schrijft het op.
6. Vergelijk onderzoeksresultaten met die van anderen, heb ik het goed gedaan?
Onderzoekscyclus:
1. Ontwerpen: doel en probleemstelling beschrijven, welke instrumenten, betrokkenen
2. Gegevens verzamelen: na vaststellen ontwerp onderzoek uitvoeren
3. Analyseren: verzamelde gegevens analyseren aan de hand van verschillende
analysemethoden (kwantitatief of kwalitatief)
4. Evalueren en adviseren: helemaal terug kijken