Pathologie H2 – Geneeskunde
-Onder reguliere geneeskunde wordt verstaan: de gangbare geneeskunde, waarvoor men aan
universiteiten wordt opgeleid, die (ook) in de ziekenhuizen wordt beoefend en waarvoor de
bevoegdheid tot uitoefening wettelijk geregeld is.
-Onder alternatieve geneeskunde wordt verstaan: de ziekte wordt op een geheel andere wijze
benaderd, overeenkomsten met de denkwijzen van de reguliere geneeskunde zijn er vrijwel niet.
-KNMG = Koninklijke Nederlandse Maatschappij der bevordering van de Geneeskunsten
-WGBO = Wet op geneeskundige behandelings overeenkomst
-Wet toetsing levensbeëindiging = wet bij verzoek om hulp bij zelfdoding
2.4 Vaststellen medische diagnose
-Diagnostisch proces - het vaststellen van de aard, de ernst en de oorzaak van een ziekte.
-Anamnese – Gesprek over de klachten van de patiënt met als doel een indruk te krijgen wat er in het
lichaam van de patiënt afspeelt zodat er uiteindelijk een medische diagnose gesteld kan worden.
-Richtlijnen voor gesprekstechnieken bij Anamnese:
houd je aan de feiten en pas op voor subjectieve interpretaties;
de patiënt mag bij het antwoorden worden begeleid, maar het suggereren van antwoorden is uit
den boze;
houd de lijn in het oog, maar ga niet overdreven gedetailleerd te werk, want dan zie je door de
bomen het bos niet meer;
wees steeds selectief, noteer dingen die van belang zijn en ga daar eventueel dieper op in.
Probeer dwaalsporen te vermijden; je mist anders de diagnose.
-Auto anamnese – met de patiënt zelf
-Hetero anamnese – met betrokkenen van de patiënt wanneer deze hier niet toe in staat is
-Opbouw anamnese:
speciële anamnese – klachten die de aanleiding voor artsbezoek vormden
algemene anamnese – vragen over algemeen funcioneren (ademhaling, bloedsomloop,
stoelgang, etc)
medische voorgeschiedenis
familie anamnese
2.4.2. Lichamelijk onderzoek
1. Observatie/inspectie (kijken, ruiken, proeven)
de mate van ziek-zijn
de psychische toestand: gespannen, angstig, somber, gedesoriënteerd e.d
de bewustzijnstoestand: slaperig, niet goed aanspreekbaar, comateus
afwijkingen in de lichaamshouding en in de vorm van de verschillende lichaamsonderdelen,
mobiliteit en stabiliteit
het aspect van de huid en de slijmvliezen, afwijkingen/veranderingen en kleur. Bij anemie
(bloedarmoede) is de patiënt bleek, bij leverziekten kan de patiënt geel gaan zien (icterus) en
patiënten met slechte longen hebben vaak cyanose (blauwgrijze kleur)
de voedingstoestand
, een afwijkende en/of hoorbare ademhaling, kortademigheid, hoesten en opgeven van sputum
de geur van de patiënt: patiënten met suikerziekte ruiken soms naar aceton, een teken van een
niet goed functioneren van de stofwisseling. Urinegeur bij incontinentie, grondlucht bij
leverziekten. Alcohollucht.
2. Auscultatie
-Luisteren met een stethoscoop naar de organen
-Meten van bloeddruk in de bovenarm of pols
3. Percussie
-Kloppen met 1 vinger op de ander wat een toon genereerd die iets kan zeggen over de dichtheid van het
weefsel
4. Palpatie
-Voelen naar afwijkingen in vorm, consistentie en oppervlak van organen (ook rectaal of vaginaal)
-Pijngevoeligheid controleren
-Lokale temperatuurverschillen met de handrug
-Pols meten
Resultaat = Differentiële diagnose: lijst van mogelijke diagnoses, met de meest waarschijnlijke
bovenaan.
2.4.3 Aanvullende specifiek onderzoek
Laboratoriumonderzoek
Hematologisch onderzoek
-Hb = Hemoglobine bepaling te laag = bloedarmoede
-Ht = Hematocriet waarde laag = weinig cellen in plasma = verdunt
-BSE = bezinkingssnelheid van erytrocyten, plasmakolom is normaal 15/20 mm verhoogd = infectie
-Differentiatie bloedbeeld = witte bloedcellen telling
Klinisch-chemische bepalingen
-onderzoek van voorkomende stoffen in bloed, urine en feces
-verhoogde/verlaagde aanwezigheid of afwezig van bepaalde stoffen kan wijzen op een
disfunctioneren van een bepaald orgaan.
Bijvoorbeeld:
glucose in urine bij diabetes
ureum, bloed of eiwitten in urine bij verstoorde nierfunctie
bilirubine in urine bij verstoorde levenfunctie
- verhoogde/verlaagde aanwezigheid of afwezig van enzymen kunnen iets zeggen over
beschadiging, afbraak, necrose, vermeerdering (tumor), ophoping of blokkades.
Bijvoorbeeld:
aspartaattransaminase, ASAT of AST, komt voor in lever, hart en skeletspieren en is
bijvoorbeeld bij leverbeschadiging, na een hartinfarct of een ernstig spiertrauma
verhoogd
alaninetransaminase, ALAT of ALT, komt voor in de lever en is bij leverbeschadiging
verhoogd
-Onder reguliere geneeskunde wordt verstaan: de gangbare geneeskunde, waarvoor men aan
universiteiten wordt opgeleid, die (ook) in de ziekenhuizen wordt beoefend en waarvoor de
bevoegdheid tot uitoefening wettelijk geregeld is.
-Onder alternatieve geneeskunde wordt verstaan: de ziekte wordt op een geheel andere wijze
benaderd, overeenkomsten met de denkwijzen van de reguliere geneeskunde zijn er vrijwel niet.
-KNMG = Koninklijke Nederlandse Maatschappij der bevordering van de Geneeskunsten
-WGBO = Wet op geneeskundige behandelings overeenkomst
-Wet toetsing levensbeëindiging = wet bij verzoek om hulp bij zelfdoding
2.4 Vaststellen medische diagnose
-Diagnostisch proces - het vaststellen van de aard, de ernst en de oorzaak van een ziekte.
-Anamnese – Gesprek over de klachten van de patiënt met als doel een indruk te krijgen wat er in het
lichaam van de patiënt afspeelt zodat er uiteindelijk een medische diagnose gesteld kan worden.
-Richtlijnen voor gesprekstechnieken bij Anamnese:
houd je aan de feiten en pas op voor subjectieve interpretaties;
de patiënt mag bij het antwoorden worden begeleid, maar het suggereren van antwoorden is uit
den boze;
houd de lijn in het oog, maar ga niet overdreven gedetailleerd te werk, want dan zie je door de
bomen het bos niet meer;
wees steeds selectief, noteer dingen die van belang zijn en ga daar eventueel dieper op in.
Probeer dwaalsporen te vermijden; je mist anders de diagnose.
-Auto anamnese – met de patiënt zelf
-Hetero anamnese – met betrokkenen van de patiënt wanneer deze hier niet toe in staat is
-Opbouw anamnese:
speciële anamnese – klachten die de aanleiding voor artsbezoek vormden
algemene anamnese – vragen over algemeen funcioneren (ademhaling, bloedsomloop,
stoelgang, etc)
medische voorgeschiedenis
familie anamnese
2.4.2. Lichamelijk onderzoek
1. Observatie/inspectie (kijken, ruiken, proeven)
de mate van ziek-zijn
de psychische toestand: gespannen, angstig, somber, gedesoriënteerd e.d
de bewustzijnstoestand: slaperig, niet goed aanspreekbaar, comateus
afwijkingen in de lichaamshouding en in de vorm van de verschillende lichaamsonderdelen,
mobiliteit en stabiliteit
het aspect van de huid en de slijmvliezen, afwijkingen/veranderingen en kleur. Bij anemie
(bloedarmoede) is de patiënt bleek, bij leverziekten kan de patiënt geel gaan zien (icterus) en
patiënten met slechte longen hebben vaak cyanose (blauwgrijze kleur)
de voedingstoestand
, een afwijkende en/of hoorbare ademhaling, kortademigheid, hoesten en opgeven van sputum
de geur van de patiënt: patiënten met suikerziekte ruiken soms naar aceton, een teken van een
niet goed functioneren van de stofwisseling. Urinegeur bij incontinentie, grondlucht bij
leverziekten. Alcohollucht.
2. Auscultatie
-Luisteren met een stethoscoop naar de organen
-Meten van bloeddruk in de bovenarm of pols
3. Percussie
-Kloppen met 1 vinger op de ander wat een toon genereerd die iets kan zeggen over de dichtheid van het
weefsel
4. Palpatie
-Voelen naar afwijkingen in vorm, consistentie en oppervlak van organen (ook rectaal of vaginaal)
-Pijngevoeligheid controleren
-Lokale temperatuurverschillen met de handrug
-Pols meten
Resultaat = Differentiële diagnose: lijst van mogelijke diagnoses, met de meest waarschijnlijke
bovenaan.
2.4.3 Aanvullende specifiek onderzoek
Laboratoriumonderzoek
Hematologisch onderzoek
-Hb = Hemoglobine bepaling te laag = bloedarmoede
-Ht = Hematocriet waarde laag = weinig cellen in plasma = verdunt
-BSE = bezinkingssnelheid van erytrocyten, plasmakolom is normaal 15/20 mm verhoogd = infectie
-Differentiatie bloedbeeld = witte bloedcellen telling
Klinisch-chemische bepalingen
-onderzoek van voorkomende stoffen in bloed, urine en feces
-verhoogde/verlaagde aanwezigheid of afwezig van bepaalde stoffen kan wijzen op een
disfunctioneren van een bepaald orgaan.
Bijvoorbeeld:
glucose in urine bij diabetes
ureum, bloed of eiwitten in urine bij verstoorde nierfunctie
bilirubine in urine bij verstoorde levenfunctie
- verhoogde/verlaagde aanwezigheid of afwezig van enzymen kunnen iets zeggen over
beschadiging, afbraak, necrose, vermeerdering (tumor), ophoping of blokkades.
Bijvoorbeeld:
aspartaattransaminase, ASAT of AST, komt voor in lever, hart en skeletspieren en is
bijvoorbeeld bij leverbeschadiging, na een hartinfarct of een ernstig spiertrauma
verhoogd
alaninetransaminase, ALAT of ALT, komt voor in de lever en is bij leverbeschadiging
verhoogd