Pathologie H1 – Gezondheid, ziekte, ziekteverloop
1.1. Ziekte, syndroom en beloop
-Definitie van gezondheid, vastgesteld door het Wereldgezondheidsorganisatie (WHO):
“Onder gezondheid wordt verstaan het zich welbevinden/het welzijn op lichamelijk, geestelijk,
economische en sociaal gebied en niet alleen het afwezig zijn van ziekten en gebreken.”
-Homeostase: dynamisch omdat het evenwicht steeds in beweging is, zich aanpassend aan de
omstandigheden waarin het lichaam verkeert.
-Symptomen zijn het gevolg van een disfunctioneren van organen en/of orgaansystemen en weefsels.
Objectieve symptomen: door buitenstaanders vast te stellen.
Subjectieve symptomen: niet door buitenstaanders vast te stellen.
-Ziekte: er is sprake van een aantal verschijnselen die bij deze ziekte altijd gecombineerd aanwezig zijn.
-Syndroom: er is een groep verschijnselen tegelijkertijd aanwezig, maar deze horen niet typisch bij één
ziekte maar kunnen bij meerdere ziekten voorkomen.
-Verschillende soorten beloop:
Acuut
Chronisch: langzaam ontstaan en ontwikkelen
Rechutes of exacerbaties: pieken in een chronische ziekte
Remissie: verbetering zonder sprake van genezing
Complicaties: onverwachte maar verklaarbare gebeurtenissen die zich voordoen tijdens het
verloop van de ziekte en die de situatie verergeren
Recidief: terugkeer van een ziekte na volledige genezing
Genezing: Afwezigheid van alle ziekteverschijnselen
Prodromata: voorverschijnselen
Prognose: toekomstverwachting tav een ziekte
1.2. Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ziekten
-Ziekmakende agentia/etiologische factoren: oorzaken van ziekten.
-Causale behandeling: behandeling gericht op het genezen van de oorzaak.
-Constitutie: het totaal aan erfelijke eigenschappen die we van onze ouders meekrijgen.
-Etiologie: leer van de oorzakelijke factoren
-Endogene factoren: voortkomend uit het individu
-genetisch bepaald
-kan congenitaal zijn: vanaf de geboorte aanwezig
-disfunctioneren van organen en weefselen nav eerdere ziekten
1.1. Ziekte, syndroom en beloop
-Definitie van gezondheid, vastgesteld door het Wereldgezondheidsorganisatie (WHO):
“Onder gezondheid wordt verstaan het zich welbevinden/het welzijn op lichamelijk, geestelijk,
economische en sociaal gebied en niet alleen het afwezig zijn van ziekten en gebreken.”
-Homeostase: dynamisch omdat het evenwicht steeds in beweging is, zich aanpassend aan de
omstandigheden waarin het lichaam verkeert.
-Symptomen zijn het gevolg van een disfunctioneren van organen en/of orgaansystemen en weefsels.
Objectieve symptomen: door buitenstaanders vast te stellen.
Subjectieve symptomen: niet door buitenstaanders vast te stellen.
-Ziekte: er is sprake van een aantal verschijnselen die bij deze ziekte altijd gecombineerd aanwezig zijn.
-Syndroom: er is een groep verschijnselen tegelijkertijd aanwezig, maar deze horen niet typisch bij één
ziekte maar kunnen bij meerdere ziekten voorkomen.
-Verschillende soorten beloop:
Acuut
Chronisch: langzaam ontstaan en ontwikkelen
Rechutes of exacerbaties: pieken in een chronische ziekte
Remissie: verbetering zonder sprake van genezing
Complicaties: onverwachte maar verklaarbare gebeurtenissen die zich voordoen tijdens het
verloop van de ziekte en die de situatie verergeren
Recidief: terugkeer van een ziekte na volledige genezing
Genezing: Afwezigheid van alle ziekteverschijnselen
Prodromata: voorverschijnselen
Prognose: toekomstverwachting tav een ziekte
1.2. Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ziekten
-Ziekmakende agentia/etiologische factoren: oorzaken van ziekten.
-Causale behandeling: behandeling gericht op het genezen van de oorzaak.
-Constitutie: het totaal aan erfelijke eigenschappen die we van onze ouders meekrijgen.
-Etiologie: leer van de oorzakelijke factoren
-Endogene factoren: voortkomend uit het individu
-genetisch bepaald
-kan congenitaal zijn: vanaf de geboorte aanwezig
-disfunctioneren van organen en weefselen nav eerdere ziekten