Leerdoelen:
- Hoe ontwikkelt moraliteit zich? (Piaget & Cohlberg)
Bronnen:
- Shaffer & Kipp
Definitie moraliteit:
Moraliteit bestaat uit het vermogen om goed en fout van elkaar te onderscheiden, reageren
op het onderscheid tussen goed en fout en het ervaren van trots bij verschillende
gedragingen of het ervaren van schuld of schaamte bij gedragingen die in strijd zijn met je
eigen normen.
Componenten van moraliteit:
- Moral affect: Dit zijn gevoelens/ emoties die horen bij goede of slechte acties, zoals
trots, schaamte en schuld.
- Moral reasoning (cognitief): Onderscheid maken tussen goed en kwaad.
- Moral behavior: Hoe we ons echt gedragen.
Piaget:
Premoral fase (eerste 5 jaar):
Tijdens deze periode heeft het kind nog geen begrip van regels.
Heteronomous morality stage (5-10 jaar):
In deze fase worden de regels strikt nageleefd, want de regels zijn gemaakt door autoritaire
personen zoals je ouders.
- Moral absolute = strikte scheiding tussen goed en kwaad
- Explatory punsihment = de straf staat niet in relatie met de begaande misstap
(voorbeeld: een kind slaan omdat hij een raam kapot heeft gemaakt, i.p.v. het kind
het raam laten betalen).
- Immanent justice = bij een fout word je altijd gestraft.
- Realisme = kinderen zien regels als de realiteit.
Autonomous morality (vanaf 10/11 jaar):
De regels staan niet helemaal vast. In bepaalde situaties mag je afwijken van de regels, in dit
geval is de intentie belangrijker. In deze fase komt er geen immanent justice voor.
- Reciprocal punishment = straf staat in relatie met de daad.
- Reciprocity = iets goeds doen met de verwachting er iets voor terug te krijgen.
Kritiek:
- Kinderen zijn niet zo egocentrisch als Piaget dacht.
- Kinderen volgens niet altijd de autoriteit in de eerste fase.