Bronnen:
- Artikel: Miller
- Shaffer, H.10
Reflexen:
Een reflex wordt gezien als aangeboren gedrag. Een reflex is een simpele reactie op en
stimulus. Een voorbeeld hiervan is het pakken van een vinger die in de hand van een baby
wordt gelegd.
Daarnaast zijn er ook complexere reflexen zoals zwemmen en lopen.
Er zijn twee soorten reflexen:
- Primitieve reflexen: Deze reflexen zijn niet van levensbelang.
- Overlevingsreflexen: Belang voor overleving en ontwikkeling.
Primitieve reflexen:
- Babinski reflex: Tenen krommen wanneer de onderkant van je voet wordt gestreeld.
- Moro reflex: Bij een plotseling geluid of beweging strekt de baby zich helemaal uit en
kruipt vervolgens weer in elkaar. Dit is een schrikreactie van de baby.
- Grasping reflex: Wanneer iets in de hand van de baby wordt geplaatst, zal het kind
het stevig vastpakken.
- Swimming reflex: Wanneer een baby in het water wordt gedompeld, vertoont het
kind actieve bewegingen met de armen en benen, daarnaast houdt het kind ongewild
zijn adem in. Hierdoor blijft het kind een tijdje drijven.
- Stepping reflex: Als je een baby rechtop houdt zodat ze met hun voeten de grond
raken, dan zullen ze stappen proberen te zetten.
Overlevingsreflexen:
- Breathing reflex: herhaaldelijk in- en uitademen.
- Eye-blink reflex: je ogen dicht doen of knipperen.
- Pupillary reflex: vernauwing of uitzetting van pupillen.
- Rooting reflex: Wanneer een kinds wang wordt geaaid, draait het kind zijn hoofd die
kant op in de hoop dat het aan iets kan zuigen
- Sucking reflex: De reflex om aan iets te zuigen dat in de mond komt, het stelt het kind
in staat om voeding binnen te krijgen.
- Swallowing reflex: slikken.
Vaste actie patronen:
Complexere gedragingen die moeten zorgen voor de overleving van een individu.
Hechting:
Attachment: Dit is een hechte wederkerige, emotionele relatie tussen twee personen.
Hechting begint pas na ongeveer 6 maanden, daarvoor is het een eenzijdige relatie.