Hoorcollege 5 (2-3): Interpretatie
Opkomst van de moderne geesteswetenschappen
- Historiciteit.
o Verleden wezenlijk anders dan het heden.
- Individualiteit.
o Personen én naties worden gezien als uniek. Alleen in eigen termen begrijpen.
- Probleem van interpretatie:
o Als verleden anders is dan het heden hoe dan interpreteren en begrijpen?
- Hoe kunnen het verleden en fundamenteel unieke individualiteiten bestudeerd worden?
o Empirisch onderzoek (antwoord van Ranke). Bij nauwkeurige bestudering kan je het
verleden leren kennen.
o Interpretatie.
o Uniciteit van individualiteit en historisch proces is niet zo fundamenteel ->
positivistisch.
Interpretatieleer
- Hermeneutiek.
o Uitleggen en vertalen.
- Kernprobleem interpretatie:
o Relatie tussen wereld, subject en betekenis.
Tekst lever interpretatie op -> ontstaat kloof tussen denken in heden en
verleden.
- Vergelijken met kernprobleem epistemologie Vroegmoderne tijd:
o Relatie tussen wereld, subject en kennis.
Probleem hoe je kennis van de wereld kunt hebben.
Kun je als subject de betekenis van een andere periode vatten?
- Friedrich Schleiermacher (1768-1834):
o Grondlegger hermeneutiek.
o Bijbel als historische tekst bekijken -> hoe Bijbel in moderne tijd interpreteren.
o Theorie over interpretatie in het algemeen.
o Twee vormen van interpretatie:
Psychologische interpretatie.
Innerlijke vorm van tekst.
Achterhalen wat de intentie van de auteur van de tekst is geweest.
Manier waarop de auteur deze intenties uitdrukt in de tekst.
Grammaticale interpretatie.
Uiterlijke vorm van de tekst.
Structuur en context bestuderen.
o Praktijk -> bij het interpreteren van een tekst moet je rekening houden met het
geheel en de delen van de tekst. Om het geheel te begrijpen moeten ook de delen
worden begrepen en andersom.
Geheel van de tekst pas begrijpen als je ook delen van de tekst goed begrijpt.
Karakter van een cirkel -> Hermeneutische cirkel.
Steeds preciezer begrijpen wat er in een tekst wordt bedoeld.
Schleiermacher; subjectiviteit van de lezer speelt geen rol.
o Parallel met historisme -> geen problematisering van de
subjectiviteit van de historicus.
- Wilhelm Dilthey (1833-1911):
o Fundamenteel verschil tussen natuur- en geesteswetenschappen.
, Koppelt dit aan het idee van interpretatie.
Idee van verschil tussen de wetenschappen geworteld in de negentiende
eeuw en gekoppeld aan idee van interpretatie.
Natuurwetenschappen observationele of empirische basis.
o Kritiek van de historische rede (vergelijking met Kant).
o Kant; kritiek van de zuivere rede.
Kant stelt dat er een werkelijkheid is die onafhankelijk van ons bestaat, maar
niet als zodanig kennen en waarnemen-> an sich.
Objectieve kennis is mogelijk.
Mogelijkheidsvoorwaarden van kennis bestuderen.
o Dilthey -> probleem in Kants filosofie:
Alleen geldig voor de natuurwetenschappen.
Kant legt nadruk op mens als tijdloos wezen/transcendentaal subject.
o Dilhey probeert verder te gaan dan Kant.
o Ontologie van het menselijk leven:
Vaststellen wat de mens is. Nagaan wat het antwoord op deze vraag
uitmaakt voor beoefening geesteswetenschappen.
Mensen begrijpen vanuit het feit dat ze leven.
Eenheid van denken, voelen en willen.
Behalve rationeel denken ook emoties en wil.
Historiciteit.
Vertrekkend vanuit Kant ander idee wat het menszijn nu feitelijk
inhoudt.
Consequenties voor methode van de geesteswetenschappen.
o Interpretatie combineert volgens Dilthey:
Uiterlijke ervaring.
Beeld dat gevormd wordt van de werkelijkheid buiten ons door
samenwerking van zintuigen en verstand.
Kennis zoals Kant dit ziet.
Innerlijke ervaring.
Niet zintuigelijk. Ervaring van geestelijke wereld.
Belangrijk om te relateren aan de wil (onafhankelijk) die bepaalde
handelingen in gang zet.
o Geesteswetenschappen combineren uiterlijke én innerlijke ervaring.
Natuurwetenschappen relateren alleen aan uiterlijke ervaring.
Uiterlijke ervaring -> we zien handelingen van andere mensen, kunstwerken,
rechtssystemen.
Innerlijke ervaring -> verstehen, erleben (beleven).
o Interpretatie schilderij huilend kind:
Uiterlijke ervaring relateren aan een innerlijke ervaring van verdriet of
geestelijke ervaring die je zelf ook kent.
o Geen reconstructie van intentie auteur of kunstenaar, maar verbinden van
observatie met eigen beleving. Beleving van een tekst of kunstwerk.
o Interpretatie is echter niet puur subjectief -> zou moeilijk zijn om tot basis van
geesteswetenschappen te maken (problematisch voor wetenschap).
o Hoe is objectiviteit mogelijk?
Uiterlijke ervaring -> we zien allemaal hetzelfde
(schilderij/instituties/handelingen).
Interpretatie van subjecten -> allemaal bewust van historiciteit en eigen
historische bepaaldheid.
Opkomst van de moderne geesteswetenschappen
- Historiciteit.
o Verleden wezenlijk anders dan het heden.
- Individualiteit.
o Personen én naties worden gezien als uniek. Alleen in eigen termen begrijpen.
- Probleem van interpretatie:
o Als verleden anders is dan het heden hoe dan interpreteren en begrijpen?
- Hoe kunnen het verleden en fundamenteel unieke individualiteiten bestudeerd worden?
o Empirisch onderzoek (antwoord van Ranke). Bij nauwkeurige bestudering kan je het
verleden leren kennen.
o Interpretatie.
o Uniciteit van individualiteit en historisch proces is niet zo fundamenteel ->
positivistisch.
Interpretatieleer
- Hermeneutiek.
o Uitleggen en vertalen.
- Kernprobleem interpretatie:
o Relatie tussen wereld, subject en betekenis.
Tekst lever interpretatie op -> ontstaat kloof tussen denken in heden en
verleden.
- Vergelijken met kernprobleem epistemologie Vroegmoderne tijd:
o Relatie tussen wereld, subject en kennis.
Probleem hoe je kennis van de wereld kunt hebben.
Kun je als subject de betekenis van een andere periode vatten?
- Friedrich Schleiermacher (1768-1834):
o Grondlegger hermeneutiek.
o Bijbel als historische tekst bekijken -> hoe Bijbel in moderne tijd interpreteren.
o Theorie over interpretatie in het algemeen.
o Twee vormen van interpretatie:
Psychologische interpretatie.
Innerlijke vorm van tekst.
Achterhalen wat de intentie van de auteur van de tekst is geweest.
Manier waarop de auteur deze intenties uitdrukt in de tekst.
Grammaticale interpretatie.
Uiterlijke vorm van de tekst.
Structuur en context bestuderen.
o Praktijk -> bij het interpreteren van een tekst moet je rekening houden met het
geheel en de delen van de tekst. Om het geheel te begrijpen moeten ook de delen
worden begrepen en andersom.
Geheel van de tekst pas begrijpen als je ook delen van de tekst goed begrijpt.
Karakter van een cirkel -> Hermeneutische cirkel.
Steeds preciezer begrijpen wat er in een tekst wordt bedoeld.
Schleiermacher; subjectiviteit van de lezer speelt geen rol.
o Parallel met historisme -> geen problematisering van de
subjectiviteit van de historicus.
- Wilhelm Dilthey (1833-1911):
o Fundamenteel verschil tussen natuur- en geesteswetenschappen.
, Koppelt dit aan het idee van interpretatie.
Idee van verschil tussen de wetenschappen geworteld in de negentiende
eeuw en gekoppeld aan idee van interpretatie.
Natuurwetenschappen observationele of empirische basis.
o Kritiek van de historische rede (vergelijking met Kant).
o Kant; kritiek van de zuivere rede.
Kant stelt dat er een werkelijkheid is die onafhankelijk van ons bestaat, maar
niet als zodanig kennen en waarnemen-> an sich.
Objectieve kennis is mogelijk.
Mogelijkheidsvoorwaarden van kennis bestuderen.
o Dilthey -> probleem in Kants filosofie:
Alleen geldig voor de natuurwetenschappen.
Kant legt nadruk op mens als tijdloos wezen/transcendentaal subject.
o Dilhey probeert verder te gaan dan Kant.
o Ontologie van het menselijk leven:
Vaststellen wat de mens is. Nagaan wat het antwoord op deze vraag
uitmaakt voor beoefening geesteswetenschappen.
Mensen begrijpen vanuit het feit dat ze leven.
Eenheid van denken, voelen en willen.
Behalve rationeel denken ook emoties en wil.
Historiciteit.
Vertrekkend vanuit Kant ander idee wat het menszijn nu feitelijk
inhoudt.
Consequenties voor methode van de geesteswetenschappen.
o Interpretatie combineert volgens Dilthey:
Uiterlijke ervaring.
Beeld dat gevormd wordt van de werkelijkheid buiten ons door
samenwerking van zintuigen en verstand.
Kennis zoals Kant dit ziet.
Innerlijke ervaring.
Niet zintuigelijk. Ervaring van geestelijke wereld.
Belangrijk om te relateren aan de wil (onafhankelijk) die bepaalde
handelingen in gang zet.
o Geesteswetenschappen combineren uiterlijke én innerlijke ervaring.
Natuurwetenschappen relateren alleen aan uiterlijke ervaring.
Uiterlijke ervaring -> we zien handelingen van andere mensen, kunstwerken,
rechtssystemen.
Innerlijke ervaring -> verstehen, erleben (beleven).
o Interpretatie schilderij huilend kind:
Uiterlijke ervaring relateren aan een innerlijke ervaring van verdriet of
geestelijke ervaring die je zelf ook kent.
o Geen reconstructie van intentie auteur of kunstenaar, maar verbinden van
observatie met eigen beleving. Beleving van een tekst of kunstwerk.
o Interpretatie is echter niet puur subjectief -> zou moeilijk zijn om tot basis van
geesteswetenschappen te maken (problematisch voor wetenschap).
o Hoe is objectiviteit mogelijk?
Uiterlijke ervaring -> we zien allemaal hetzelfde
(schilderij/instituties/handelingen).
Interpretatie van subjecten -> allemaal bewust van historiciteit en eigen
historische bepaaldheid.