Borstkas: ribben + borstwervels + borstbeen
Bekken: heupbeenderen + heiligbeen
Ellepijp: loopt van de ELLEboog naar de kant van PInk
Pijpbeenderen: lang & dun, geel beenmerg + vet
Platte beenderen: plat & breed, rood beenmerg -> vormt
bloedcellen
Been bestaat uit: Kraakbeen bestaat uit:
Beencellen ♥ Kraakbeencellen
Tussencelstof + veel ♥ Tussencelstof + weinig kalk
kalk & weinig lijmstof & veel lijmstof
• Hard en stevig • Buigzaam
• In tussenwervelschijven,
gewrichten
tussen rib & borstbeen
& oorschelp
Wervelkolom van boven naar onder:
7 halswervels (bovenste = atlas, tweede = draaier)
12 borstwervels -> ribben aan vast
5 lendenwervels
Heiligbeen -> vergroeide wervels
Staartbeen -> vergroeide wervels
Wervel bestaat uit het wervellichaam & wervelgat. Door het wervelgat loopt het ruggenmerg (zenuwen)
Wervelkolom zorgt voor schokdemping door:
Dubbele S-vorm
Kraakbeenschijven
Hernia
= een kraakbeenschijf tussen de wervels puilt uit en drukt tegen de zenuwen in het ruggenmerg
Pasgeboren baby -> skelet grotendeels nog kraakbeen
Fontanellen
= stevig vlies dat tussen de schedelbeenderen zit (tijdens en max. 1,5 jaar na de geboorte) -> maakt
bevalling mogelijk, op latere leeftijd is dit een naadverbinding.
Groeischijven
= laag van kraakbeencellen in pijpbeenderen. Vanuit hier wordt een bot langer. Na de puberteit
verbenen deze cellen en stopt de lengtegroei.
Botten zijn verbonden via een:
Naadverbinding (schedel) = onbeweeglijk
Kraakbeen (o.a. rib – borstbeen) = beetje beweeglijk
Vergroeid (o.a. heiligbeen en staartbeen) = onbeweeglijk
Gewricht = beweeglijk
Soorten gewrichten:
• Kogelgewricht