Begrippen
Waarden: opvattingen of voorstellingen van het goede, omschrijven wat mensen waardevol
vinden (rechtvaardigheid).
Normen: op waarde gebaseerde handelingsvoorschriften (geef mensen gelijke kansen).
Deugden: goede eigenschappen die de handelwijze van de mens bepalen (integriteit).
Cultuurrelativisme: gaat ervan uit dat normen en waarden van de ene cultuur niet beter zijn dan
die van een andere.
Universalisme: men gaat ervan uit dat fundamentele morele principe zijn, die universeel geldig en
toepasbaar zijn op vergelijkbare mensen in vergelijkbare situaties, ongeacht plaats en tijd waarin
ze leven.
Teleologische of gevolgenethiek: wordt beoordeeld welke handeling juist is door naar het doel of
de gevolgen van die handeling te kijken
o Maximaliseren genot voor zoveel mogelijk mensen
Deontologische ethiek/beginselethiek: wordt beoordeeld welke handeling juist is door te kijken
of de handeling zelf juist is, ongeacht de feitelijke gevolgen
o Handelen op basis van redelijke morele regels
Deugdenethiek: wordt beoordeeld welke handeling moreel juist is door te kijken naar de
persoonlijke eigenschappen die de actor tot een morele keuze brengen
o Karakter en motieven van de handelende persoon
Ethisch dilemma: beide alternatieven hebben te maken met verschillende waarden en normen
Open-mindedness: gespreksdeelnemers hebben wel een eigen visie, maar gaan actief op zoek
naar tegenargumenten. Deze argumenten beoordelen ze kritisch door eerlijke afweging tot
een conclusie komen.
Stappenplan om een moreel probleem te analyseren:
1. Situatie in kaart brengen
o Feiten, gedachten, gevoelens
2. Moreel probleem vaststellen
o Formuleer moreel dilemma
3. Handelingsalternatieven verkennen
o Die je nu kunt bedenken
4. Betrokkenen benoemen en hun belangen afwegen
o Betrokkenen op een rijtje
o Belangen in relatie tot dilemma
o Belangen in rangorde
5. Relevante waarden en normen omschrijven
o Ook artikelen van beroepscode
o Waarden, normen, beroepscode in rangorde