- Paragraaf 1.1 t/m 1.5
1.1 Plaats bepalen
Plaats: de afstand die het voorwerp heeft ten opzichte van een bepaald vast punt
Verplaatsing: een verschil of verandering in plaats. De afstand tussen twee plaatsen waar
het voorwerp is geweest.
De afgelegde weg: de afstand die je in totaal hebt afgelegd.
∆x = xeind – xbegin
Hierin is ∆x de verplaatsing in meter en x de plaats in meter.
∆ = delta. Betekent verandering van, dus ∆x betekent verandering van plaats. ∆x kan ook s
zijn.
Er zijn verschillende methoden om plaats of verplaatsing van bewegende voorwerpen te
meten:
• Tijdtikker. Aan een bewegend voorwerp bevestig je een lang, papieren strookje dat
door een tikker geleid wordt. De tikker zet elke seconde een aantal stippen op het
strookje. Als het strookje verplaatst, komen de punten uit elkaar te liggen. De afstand
tussen de stippen kun je meten en de tijd tussen elke stippen is bekend. Zo kun je de
verplaatsing bepalen.
• Ultrasone afstandsmeter. Werkt met een vorm van echolocatie. De afstandsmeter
zendt met regelmaat onhoorbare klikjes uit. Wanneer deze door een voorwerp
worden weerkaatst en weer opgevangen kan uit het tijdverschil tussen uitzenden en
weer opvangen van het klikje en de afstand tot het voorwerp berekend worden.
• Videometen. Hierbij maak je een filmopname van het bewegende voorwerp. De
meeste filmcamera’s maken 25 beeldjes per seconde (25 Hz). Zo leg je de positie
van het voorwerp elke 0,040 s vast. Als je de schaal kent (door meten) kun je met de
computer berekenen wat de plaats van het voorwerp is op verschillende tijdstippen.
• Stroboscopische foto. Een stroboscoop is een lamp die met regelmatige tussenpozen
flitsen geeft. Elke flits duurt zeer kort vergeleken met de tijd tussen de flitsen. Door
een bewegend voorwerp met een stroboscoop te belichten, zie je het voorwerp
steeds op een andere plaats. Deze beweging kun je vastleggen (fototoestel met
lange belichtingstijd).
• Lichtpoortje. Met 2 lichtpoortjes die op een bepaalde afstand ∆x van elkaar staan
meet je de tijd waarin een voorwerp een bepaalde afstand aflegt. Daarmee kun je de
gemiddelde snelheid bepalen over die afstand. Een lichtpoortje heeft een lichtsensor
en is aangesloten op een computer. De lichtsensor wordt beschenen door een
lichtstraal. Als de auto de eerste lichtstraal onderbreekt, start de computer een teller
die stopt als de auto de 2e lichtstraal onderbreekt (figuur 6)
Bij deze methoden (behalve lichtpoortje) maak je eerst een tabel met de plaats x van het
voorwerp op tijd t. daarmee maak je een (x,t)-diagram.
1.2 Snelheid: verandering van plaats
Snelheid: de hoeveelheid verplaatsing per tijdseenheid. Om de snelheid te bepalen, meet je
op verschillende tijdstippen de plaats van een voorwerp.