3.1 stijgen en dalen
Arbeid: de hoeveelheid moeite. Is gelijk aan de kracht · de verplaatsing
W=F·s
W: de arbeid in newtonmeter (Nm)
F: de kracht in newton (N)
s: de verplaatsing in meter (m) in dezelfde richting als de kracht F.
1Nm = 1 J (mag je allebei gebruiken)
Als je een massa met constante snelheid omhoog brengt, oefen je even grote kracht uit als de
zwaartekracht, maar in tegengestelde richting. Hieruit volgt dan:
W = F · s = Fz · h = m · g · h
De arbeid die je verricht om een massa m tot een hoogte h op te tillen, is dus: W = m · g · h
Als er een kracht is, maar geen arbeid, dan verricht deze kracht ook geen arbeid. De verplaatsing
s is dan 0 en omdat W= F · s is, is W ook 0.
Er wordt alleen arbeid verricht wanneer er een kracht werkt in de richting van de verplaatsing.
Bijv. een winkelwagentje dat je een helling opduwt. Je kunt deze kracht ontbinden:
• Eén parallel aan het hellend vlak. Alleen deze staat in de richting van de verplaatsing en
beïnvloed de beweging van het winkelwagentje.
• Eén loodrecht op het vlak. Helpt het wagentje niet omhoog.
Als kracht en verplaatsing niet dezelfde richting hebben, maar onder een hoek a staan, dan
wordt de component parallel aan de verplaatsing gegeven door F// = F · cos a
De arbeid is dan: W = F · s · cos a
Deze formule is ook geldig bij een tegenwerkende kracht. Als een auto remt, is de richting van de
remkracht tegengesteld aan de richting van de verplaatsing. De arbeid die de remkracht verricht
is dan negatief.
3.2 starten en stoppen
De eindsnelheid van een voorwerp dat op gang wordt gebracht, hangt van 3 dingen af:
1. De grootte van de aandrijfkracht
2. De massa van het voorwerp
3. De afstand waarop de kracht blijft werken
Formules:
• Als op een voorwerp met massa m een constante kracht F werkt, is de versnelling gelijk
aan:
F
𝑎 = m dit is de tweede wet van Newton.
• De afgelegde afstand op tijdstip t is: s = ½ · a · t2
• De snelheid op tijdstip t is: v = a · t
Leer blz 117, staat dus niet in samenvatting!!