Week 1
Hoofdstuk 10.1, 10.2, 10.4.3 (blz. 401) en artikel De Vries et al (2009): De zes belangrijkste
persoonlijkheidsdimensies en de HEXACO Persoonlijkheidsvragenlijst
§1.1 Wat is persoonlijkheid?
Persoonlijkheid = psychologische eigenschappen die een zekere continuïteit verlenen aan
het gedrag van een individu in verschillende situaties en op verschillende momenten.
G(edrag) = f(unctie) (P(ersoon), S(ituatie))
Kenmerken:
- Stabiliteit
- Consistentie
- Standaardgedrag
Perspectieven om naar persoonlijkheid te kijken
1. Wil je snel een beeld van iemand vormen?
Indeling in persoonstrekken-/kenmerken
2. Wil je iemand begrijpen vanuit zijn/haar verleden?
psychodynamisch of humanistisch of sociaalcognitieve perspectief
3. Wil je weten hoe mensen over elkaar denken?
impliciete persoonlijkheidstheorieën
4. Wil je mensen begrijpen uit de rest van de wereld?
cross-culturele theorieën
1. Beschrijvende persoonlijkheidstheorie: Kijken naar wat er in ons vastligt (natuur,
karakter). Bijvoorbeeld een beschrijving van karaktertrekken. (nature)
2. Procestheorieën: Verklaren persoonlijkheid vanuit interne processen zoals motivatie,
emotie, perceptie, leren en onbewuste processen. (nurture)
3. Impliciete persoonlijkheidstheorie: Aanname over de persoonlijkheid die mensen hanteren
met het doel anderen gemakkelijker te kunnen begrijpen (vooroordelen als gevolg).
4. Cross-culturele theorieën: Westerse landen hebben een individualistische cultuur en het
oosten collectivistische cultuur.
Persoonlijkheid is dus een gevolg van nature, nurture en cultuur.
,§1.2 Trait benadering van persoonlijkheid
De trait (‘trekken’)- benadering
- Lexicale hypothese: stelt dat alle belangrijke persoonlijkheidstrekken, weerslag
hebben op de taal die wij gebruiken
- Gorden W. Allport: 18.000 woorden uit een woordenboek die wij gebruiken om elkaar
te beschrijven.
- Raymond Cattell: 16 basistrekken (dimensies):
1. Warm – gereserveerd/koel 9. Achterdochtig – wantrouwend
2. Intelligent (abstract – concreet denkend) 10. Fantasierijk – nuchter/praktisch
3. Stabiel – emotioneel 11. Slim/berekenend – naïef
4. Dominant/assertief – onderdanig 12. Schuldbewust – zelfverzekerd
5. Vrolijk – stil 13. Ondernemend – conservatief
6. Nauwgezet – slordig 14. Zelfstandig/autonoom – groepsgericht
7. Moedig – verlegen 15. Gedisciplineerd – impulsief
8. Gevoelig – ruw 16. Gespannen – ontspannen/relaxt
- Vanuit statistische methode (o.a. factoranalyse) stelde Hans Eysenck een nieuw
model voor met drie dimensies, gebaseerd op biologische processen:
1. Extraversie – introversie
2. Neuroticisme: emotioneel stabiel – onstabiel
3. Psychotisch (als continuüm langs een lijn)
Vijf-factorentheorie (Big Five)
Uit diverse onderzoeken naar (lexicaal geïnventariseerde) trekken bleken – na factoranalyse
– voortdurend 5 factoren te clusteren:
1. Openheid (voor ervaringen): gesloten; voorkeur voor bekende – open; nieuwsgierig
2. Consciëntieusheid: onbetrouwbaar (ongeordend) chaotisch – betrouwbaar
(geordend); georganiseerd
3. Extraversie: introvert – extravert
4. Agreeableness (altruïsme en vriendelijkheid): koel; achterdochtig–warm; vertrouwend
5. Neutoticisme: emotioneel stabiel – nerveus-temperamentvol
acroniem ‘’O C E A N’’
De dimensies worden gemeten door vragenlijsten.
Uitgangspunten Big Five Model:
1. Structuur persoonlijkheid kan worden beschreven in termen van 5 factoren ieder
bestaand uit 6 specifieke trekken (onderliggende facetten).
2. De scores op deze factoren zijn stabiel in de tijd en zijn gerelateerd aan interne
mechanismen van de hersenen.
3. Aanwezigheid van factoren bij een persoon reflecteren erfelijkheid en genetische
basis.
4. De 5 factoren hebben een relatie m.b.t. het gedrag van de persoon.
, Vragenlijstenmethoden
Persoonlijkheidsvragenlijsten meten persoonlijkheidseigenschappen (traits)
ABV (Amsterdamse Biografische Vragenlijst)
NPV (Nederlandse PersoonlijkheidsVragenlijst)
NEO-PI: gerelateerd aan de Big Five
MPT/Big Six (NOA-VU)
Op grond van factoranalyse gaat de doorontwikkeling van testmateriaal verder.
Big Six: HEXACO-persoonlijkheidsvragenlijst
1. Extraversie
2. Verdraagzaamheid
3. Emotionaliteit
4. Consciëntieusheid
5. Openheid voor ervaringen
6. Integriteit
Week 2
Hoofdstuk 10.3, 10.4 en 14.3.2 (blz. 413 en 617) en artikel: De Vries et al (2014): Persoonlijkheid als
voorspeller van werkprestatie en contraproductief werkgedrag: Het belang van specifieke
persoonlijkheidsmetingen
§2.1 Procestheorieën van persoonlijkheid
Procestheorieën: Het verklaren van persoonlijkheid door middel van interne processen:
motivatie, perceptie, bewuste- en onbewuste processen.
1. Psychodynamische persoonlijkheidstheorie
- Nadruk op onbewuste motieven en op de vroege jeugd
- Freud psychoanalyse
- Onbewuste drijfveren: Eros (= behoefte aan overleving) en
Thanatos (= behoefte aan voortplanting) transformatie in
bewust gedrag en gedachten.
- Persoonlijkheidsstructuur volgens Freud: geest is
opgedeeld in een drie-eenheid:
Id: instinctieve begeerte
Super-ego: zorgt ervoor dat wij morele eisen naleven
(geweten)
Ego: het bewuste, rationele deel, driften beheersen en aan
te passen aan de verwachtingen van anderen
Freud: persoonlijkheid maakt een ontwikkeling door vanaf de jeugd naar de
volwassenheid naar aanleiding van de opkomende seksuele en agressieve driften.
Persoonlijkheid meten volgens psychodynamici: TAT of Rorschach: Iemand krijgt
een plaatje (inktvlek) te zien en moet beschrijven wat ze zien (niet heel betrouwbaar).