KA: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle
terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale
verhoudingen.
Rationalisme is het vertrouwen op het verstand, je wilt dingen verklaren
en onderzoeken. Dit hadden Griekse filosofen (vanaf 6 e eeuw) al die de
wereld om hen heen probeerden te verklaren, daarna de humanisten
(15e eeuw) die voor een nieuwe wetenschappelijke belangstelling
zorgden en daarna kwam de wetenschappelijke revolutie (16 e en 17e
eeuw), rationalisme door het gebruik van het gezonde verstand en een
systematische manier van onderzoek doen. Je ziet dus een ontwikkeling
van het rationalisme.
De wetenschappelijke revolutie was de aanleiding voor de verlichting.
De kritische denkhouding en systematische manier (observatie,
experimenteren en logica) van onderzoek doen zorgden voor veel
nieuwe ontwikkelingen. Er werd vooral onderzocht naar hoe de natuur
werkt. Veel zaken bleken tijdens de revolutie te voldoen aan
natuurwetten.
In de 18e eeuw komt er een nieuwe stroming onderzoekers, die zich
afvroegen of je de manier van onderzoek uit de wetenschappelijke
revolutie voor alle dingen kon gebruiken en abstracter (niet concreet)
gingen denken. De verlichting is de stroming van geleerden die meende
dat alles met behulp van het verstand kon worden verklaard. Dat zou
bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving. De mens werd in de
verlichting centraal gesteld.
3 belangrijke kenmerken:
- Groot vertrouwen in rationeel denken
- De wetenschappelijk manier van onderzoek kon gebruikt worden
voor alle terreinen van de samenleving.
- Door de verlichting was grote maatschappelijke vooruitgang
mogelijk.
- Ondersteunend kritisch kijken, niet oordelend.
De verlichte denkers waren erg optimistisch, ze hadden een groot
vertrouwen in de toekomst, in dien je je verstand gebruikte.
, De verlichte denkers waren tegen:
- Geloofsfanatisme: extremisme
- Intolerantie: onverdraagzaamheid
- Duisternis
- Onredelijke verschillen tussen mensen
Voorbeelden van verlicht denken:
- Politiek. Voltaire vond het gewone volk ‘dom’. Een (verlichte)
absolute vorst is nodig om het domme volk te regeren. Er waren
ook veel verlichte denkers die zich tegen het absolutisme keerden.
Rousseau bijvoorbeeld, was voor volkssoevereiniteit: alle macht
bij het volk. Hij en John Locke pleitte ook voor een sociaal
contract: afspraken die gelden voor de hele bevolking. John Locke
vond ook dat het de taak van de overheid is om die natuurlijke
wetten van de burgers te beschermen. Montesquieu was voor de
trias politica: scheiding van de machten (in drieën) om
machtsmisbruik tegen te gaan.
- Sociale verhoudingen. Rousseau is tegen de standensamenleving.
Hij was voor het ancien régime: mensen zijn van nature
gelijkwaardig aan elkaar.
- Religie. Een verlichte denker die zich daar veel mee bezighield
was Voltaire. Voltaire was voor tolerantie en gewetensvrijheid. Hij
twijfelde aan het belang van de geestelijkheid, of ze echt nodig
waren om dichterbij God te komen. Hij was een deïst: God had de
wereld wel gemaakt en bestond, maar bemoeide zich verder
nergens mee. Hij was erg radicaal.
- Economie. Adam Smith vond dat er zoveel mogelijk vrije handel
moest zijn en zo weinig mogelijk bemoeienis van de overheid
(liberaal). De overheid bemoeide zich soms met de vraag en het
aanbod door er belasting op te leggen, en dat vond Smith niet
goed, hij vond dat anders het mechanisme werd verstoord. Het
motto van Smith was ‘laisser faire’ > laat maar gaan.
De ideeën van de verlichte denkers werden verspreid door hunzelf via
brieven waarin ze met elkaar overlegden en discussieerden, ook
schreven ze boeken. Alle kennis van de verlichting werd gebundeld in de
Encyclopédie (feitenverzameling + moderne ideeën). Er waren ook veel
bijeenkomsten in bijvoorbeeld een salon, waar mensen met elkaar
gingen discussiëren over een bepaald idee of boek. De verlichting is een