Bijeenkomst 13: Bloed Hoofdstuk 11 en 4.1 t/m 4.3.2, 4.4 t/m 4.6 IG
en 8.8t/m 8.8.4 PAT
1. De onderdelen van bloed, de belangrijkste functies van bloed en de fysische
eigenschappen van bloed beschrijven.
- Onderdelen
o Plasma 55%
Plasma-eiwitten 7%
Andere opgeloste stoffen 1%
Water 92%
o Celfragmenten 45%
Trombocyten (bloedplaatjes) < 0,1% stolling
Leukocyten (witte bloedcellen) < 0,1% afweer
Erytrocyten (rode bloedcellen) 99,9% vervoer O2 en CO2
- Functies
o Transport van opgeloste gassen, voedingsstoffen, hormonen en
afvalproducten van de stofwisseling
o Stabilisering van de pH en de ionensamenstelling van de interstitiële
vloeistof in het gehele lichaam
o Beperking van het vloeistofverlies bij verwonding en bloedstolling
o Verdediging tegen gifstoffen en ziekteverwekkers en voert antistoffen aan
o Stabilisering van de lichaamstemperatuur
- Fysische eigenschappen
2. De samenstelling en functies van bloedplasma beschrijven.
- Plasma-eiwitten
o Albumine osmotische druk
o Globuline immunoglobulinen (antistoffen) en transporteiwitten
o Fibrinogeen stolling
o Worden allemaal gevormd in de lever, behalve globuline die worden in de
plasmacellen in het lymfestelsel gemaakt (B-cellen)
o Bevat ook nog andere hormonen en enzymen
- Andere opgeloste stoffen
o Organische voedingsstoffen productie van ATP, groei en onderhoud van
cellen (lipiden)
o Elektrolyten vitale cellulaire activiteiten
o Organische afvalstoffen afbraak en uitscheiding
- Water transportmiddel
3. De kenmerken en functies van rode bloedcellen beschrijven, aangeven op welke
wijze onderdelen van rode bloedcellen opnieuw worden gebruikt, en erytropoëse
beschrijven.
- Kenmerken
o Geen kern
o Dun centraal gebied met een dikke buitenkant
o Flexibel kunnen door capillaire wand heen
o Energie door het opnemen van glucose uit het bloedplasma
1
, o Zuurstof gebonden aan hemoglobine: helderdoor
o Geen zuurstof gebonden aan hemoglobine: donkerrood
o Belangrijke bouwstoffen: ijzer, vit B12 en foliumzuur
o Belangrijkste eiwit: hemoglobine
- Functies
o Zuurstof en koolstofdioxide vervoeren (hemoglobine)
o Hoe meer O2 of CO2 er in het bloed is, hoe meer het haan hemoglobine
gebonden wordt
- Opnieuw gebruik onderdelen
o Globulaire eiwitten van hemoglobine worden omgezet in aminozuren en
wordt door andere cellen gebruikt voor energie of komt in het bloed voor
gebruik voor andere cellen
o Heam wordt omgezet in biliverdine, dat wordt weer omgezet in bilirubine
o IJzer uit de heam-moleculen worden afgegeven aan het bloed of
opgeslagen in een macrofaag. Daar bindt het zich aan transferrine
- Erytropoëse = ontstaan van erytrocyten
o In rode beenmerg, in myeloïde weefsel
o Rijpingsstadia
Hemocytoblasten vormen myeloïde stamcellen
Erytroblasten (onrijpe erytrocyten) vormen actief hemoglobine
Stoten hun kern of en worden reticulocyten
Rijpe erytrocyten
o Regulering
EPO (erytropoëtine) in bloed naar rode been merg
bevordering van deling van stamcellen en ontwikkeling van
erytrocyten
o IJzer, aminozuren en vitaminen nodig
o Pernicieuze anemie = stamcellen kunnen niet normaal delen door een
vitamine B12 tekort
o EPO
Worden afgegeven bij een lage O2 concentratie
Stimuleert celdeling van de erytroblasten en van stamcellen die
deze vormen
Versnelt rijping van erytrocyten (bevordert synthese van
hemoglobine
Bloeddoping
4. De factoren bespreken die iemands bloedgroep bepalen en beschrijven waarom
een bloedgroep belangrijk is.
- Bloedgroep = de aan- of afwezigheid van specifieke oppervlakte antigenen op de
plasmamembranen van erytrocyten
- Oppervlakteantigenen: A, B en Resus (D)
- 4 bloedgroepen: A, B, AB en 0
Bloedgroep A B AB 0
Antigeen A B AB -
Antistof B A - AB
- Resus positief = resusantigeen wel aanwezig
- Resus negatief = resusantigeen niet aanwezig
2
, 5. De kruisreacties bij een bloedtransfusie beschrijven.
Donor
Bloedgroep A B AB 0
A JA NEE NEE JA
B NEE JA NEE JA
AB JA JA JA JA
0 NEE NEE NEE JA
Ontv.
-Bij bloedtransfusie gaan alleen de erytrocyten mee, dus alleen de antigenen
-AB kan alles ontvangen
-0 kan alles doneren
-Kruisreactie = als iemand bloed krijgt van een andere bloedgroep, komen de
antistoffen in het plasma van de ontvanger en gaan de lichaamsvreemde
erytrocyten samenklonteren als gevolg van de binding van antigenen en
antistoffen (agglutinatie) Dan worden de erytrocyten afgebroken of ondergaan
hemolyse. De klonteringen kunnen de bloedvaten naar de longen, hart en
hersenen blokkeren en richten daar dan schade aan
- Compatibel = bloedgroepen van ontvanger en donor passen bij elkaar
- Rh- moeder zwanger van Rh+ kindje
o Na de bevalling vormt moeder antiresus
o Tijdens de volgende zwangerschap(pen) worden rode bloedcellen van het
kindje afgebroken (resuskindje)
o Door toediening van antiresus aan moeder meteen na de geboorte wordt
de vorming van antiresus door de moeder tegengegaan
- Rh+ moeder zwanger van Rh- kindje
o Geen problemen
o Kindje maakt tijdens de eerste maanden geen antistoffen aan
o Geen bloedcontact tijdens zwangerschap
6. De verschillende soorten witte bloedcellen indelen op basis van structuur en
functie.
- Witte bloedcellen = leukocyten
o Hebben wel celkern en ander organellen
o Immuunsysteem, verwijderen van gifstoffen, afvalproducten en afwijkend
of beschadigde cellen
o Granulocyten en agranulocyten
o Verplaatsing: amoeboïde beweging, kunnen bloedstroom verlaten
(diapedese), aangetrokken door specifieke chemische prikkels (positieve
chemotaxis) en fagocytose
- Neutrofielen
o 1ste leukocyten die bij een verwonding aankomen
o Actieve fagocyten die zich specialiseren in aanvallen en verteren van
bacteriën
o Sterft na aantal keer fagocyteren, chemische stoffen die vrij komen bij
afbraak trekken nieuwe neutrofielen aan
3