Jeugdinstituut
Hoofdstuk 1: Werkzame elementen
De werkzame elementen zijn vooralsnog onbekend. Consensus over de volgende punten:
Preventie:
CGT meest evidence based methodiek voor voorkomen/verminderen
Nog niet duidelijk welke vorm (universeel/selectief/geïndiceerd) meest effectief is
Preventieprogramma’s werken vooral goed als ze gestructureerd zijn, met
concrete doelen en getrainde uitvoerders
Interactieve elementen (rollenspellen/groepsopdrachten) en betrekken van
jeugdigen bij interventie kunnen effect van programma verhogen
Behandeling:
CGT is enige overtuigend aangetoonde evidence based methode
CGT is effectief voor verschillende doelgroepen (geslacht/etniciteit/LVB) ongeacht
de setting waar de therapie wordt gegeven of de vorm (groep/individueel/online)
Exposure blijkt een zeer belangrijk element binnen CGT
Andere elementen: psycho-educatie, cognitieve technieken (aanpakken negatieve
gedachten), ontspanningsoefeningen en modelleren van dapper gedrag
Betrekken van ouders lijkt effect niet te vergroten, maar kan relevant zijn voor
bijv. versterken van motivatie van de jeugdige of als er sprake is van
psychopathologie bij ouders
Meer sessies CGT leidt tot grotere behandeleffecten, intensiteit maakt geen
verschil
Boostersessies binnen 1-3 maanden na behandeling kunnen effect CGT versterken
Bij onvoldoende effect kan gekozen worden voor medicatie, SSRI’s zijn eerste
keuze.
Hoofdstuk 2: Preventie van angst
2.1 er worden 3 typen preventie onderscheiden:
Universele preventie: gericht op de bevolking in het algemeen en bedoeld om
de invloed van risicofactoren in het algemeen te verkleinen. Bijv: voorlichting over
verschillende ziektebeelden en vaardigheidstrainingen voor kinderen. Voordelen:
goedkoop, leerkrachten kunnen na 1 keer zelf uitvoeren, minder stigmatiserend,
werving & screening niet nodig.
Selectieve preventie: gericht op specifieke bevolkingsgroepen met een
verhoogd risico op ontwikkelen problemen. Bijv: kinderen van ouders met
psychische en/of verslavingsproblemen & jeugdigen die problemen hebben met
sociale contacten. Verschil met universeel & geïndiceerd: de interventies
kennen meer variatie omdat ze gericht zijn op meer diverse groep.
Geïndiceerde preventie: gericht op jeugdigen die al angstproblemen hebben
maar nog niet voldoen aan de diagnose. Gericht op het verminderen van
angstproblemen en voorkomen van stoornis.
2.2 preventieve interventies zijn vaak afgeleid van CGT. Er zijn ook
preventieprogramma’s die zijn afgeleid van andere principes, zoals IPT, mindfulness of
beweging. Onderzoek naar de werking is nog beperkt. Centrale aanname CGT: dat wat
individuen voelen en hoe ze zich gedragen, bepaald wordt door wat zij denken.
Irrationele cognities worden uitgedaagd, jeugdigen leren vanuit een ander perspectief
naar dezelfde situatie te kijken en op een andere manier te reageren. Cognitieve
technieken kunnen het kind helpen om een gevoel van controle over de situatie te
krijgen. Meeste interventies vinden in groepsvorm plaats, op school of thuis (online
cursus).
2.3 angstpreventie kan bescheiden, maar positieve effecten hebben. Deze effecten
blijven op de lange termijn (>12 maand) niet behouden. Welk preventietype het beste
werkt, is moeilijk te zeggen.