Hoofdstuk 1: Typeringen van generaties
1.1 Karl Mannheim: beschouwde een generatie als een cohort mensen die onder gelijke
maatschappelijke omstandigheden zijn opgegroeid en herkenbaar zijn aan bepaalde
typerende kenmerken. Generatie: bevat mensen van dezelfde leeftijd, die dezelfde
gebeurtenissen en veranderingen hebben meegemaakt. Ingrijpende gebeurtenissen
kunnen sneller een stempel drukken op een generatie. Duur: gemiddeld 15-20 jaar,
hangt af van hoe wetenschappers denken over de periode die een generatie nodig heeft
om zich onderscheidend te ontwikkelen.
1.2 niet iedereen binnen dezelfde generatie beleeft de gebeurtenissen op dezelfde
manier. Wetenschappers proberen generaties met een enkel woord te typeren (met als
doel het verkrijgen van een beeld van een bepaalde generatie wat kan leiden tot meer
begrip, onderkennen van gevaren/mogelijkheden), meestal gaat het om een dominant
kenmerk. Kenmerkend voor een generatie: de eigenschappen waarmee de huidige
generatie zich onderscheidt van de vorige.
1.3 veteranengeneratie: geboren voor 1945, oudste nog levende generatie.
Kenmerkend: hoog arbeidsethos, gezag als autoriteit, traditie & discipline.
1.4 babyboomers: 1946-1964. Hebben de wederopbouw meegemaakt en het werken
aan een nieuwe toekomst zonder oorlog. Opgroeien in periode van welvaart. Feminisme
& emancipatie. Gezag niet langer als vanzelfsprekend beschouwd, daarom ook wel de
protestgeneratie genoemd. Kenmerkend: nadruk op zelfontplooiing,
zelfingenomen/arrogant, kritisch, leggen verantwoordelijkheid bij de overheid.
1.5 X-generatie: 1965-1980. Veel kinderen opgegroeid als sleutelkinderen, met
verwennerij ter compensatie. Sceptisch tegenover de autoriteit, banenhoppers,
confrontatie met werkeloosheid. Kenmerken: neiging tot relativeren, pragmatisch,
zelfredzaam, ondernemend, ambitieus, 1e generatie in aanmerking met computers.
1.6 Y-generatie: 1982-1999. Opgroeien in een digitale wereld. Multitaskers.
Kenmerkend: probleemoplossend, flexibiliteit, aanpassingsvermogen,
kieskeurig/verwend, zelfverzekerd/arrogant, creatief en ambitieus, scheiding tussen werk
en privé.
1.7 Z-generatie: vanaf 2000. Therapeuten zien steeds meer depressieve patiënten die
het leven niet aankunnen. Kenmerkend: te groot ego/hoog zelfbeeld, worden bejubeld
door hun ouders, narcistisch, arrogant, verwend, internet is vanzelfsprekend, fysiek
minder actief.
1.8 er bestaat overlap tussen de generaties, vooral tussen de X, Y, Z generaties.
Onderzoekers vinden dat kinderen van 10 nog niet lang genoeg in een tijd leven om van
een generatie te spreken. Y en Z generatie daarom vaak samengevoegd.
1.9 de analyses van typeringen zijn vooral tot stand gekomen vanuit sociologische en
filosofische beschouwingen. Typeringen met empirische basis:
Grenzeloze generatie: er is vastgesteld dat jeugdigen van deze generatie
moeite hebben om maat te houden en sterk gericht zijn op eigen belang.
Daarnaast zijn de volgende kenmerken vastgesteld: fascinatie voor geweld,
hedonistische insteek, exhibitionistische neiging (kijk mij eens), oog voor sociale
netwerken. Het is niet duidelijk in hoeverre deze kenmerken verdeeld zijn over
alle generatiegenoten
Zelfbewuste/zelfingenomen generatie: op basis van onderzoek waarin
studenten vergeleken zijn met studenten van verschillende jaren werden evidente
, wijzigingen vastgesteld waar tegenwoordig hoger op gescoord wordt zoals:
zelfwaardering, narcisme, leiding leven, agressie, uiterlijk.
1.10 er wordt verschillend gedacht over de huidige generatie. Verklaring: er kan op
heel veel aspecten beoordeeld worden, discussie houd aan door uiteenlopende
publicaties, te weinig empirisch onderzoek.
Hoofdstuk 5: Ouders en het gebruik van internet
5.1 kinderen leren al vroeg wennen aan technologische ontwikkelingen. Leren omgaan
met internet is een belangrijke taak voor ouders. 3 aspecten van begeleiding:
voorlichting (leren gebruik maken van de mogelijkheden en wijzen op de gevaren
ervan), maatregelen (grenzen stellen aan internetgebruik, bijv tijdsduur) & controle.
5.2 restrictieve benadering: opstellen van regels en met controle handhaven. Actieve
benadering: reageren als regels worden overtreden, belangstelling tonen in
internetgedrag, superviseren.
5.3 goede internetbegeleiding maakt deel uit van positief opvoedklimaat. Respectvolle/
democratische stijl: totstandkoming regels in overleg met kind -> grotere kans dat ze
opgevolgd worden en dat kinderen open zijn over hun internet ervaringen. Permissieve
opvoedingsstijl: ouders laten teveel toe, kleine kans dat kinderen verstandig leren
omgaan met internet. Autoritaire stijl: wederzijds wantrouwen waardoor kinderen
weinig loslaten over internetgebruik.
5.4 omstandigheden die invloed hebben op het leren omgaan met internet:
leeftijd en opleidingsniveau ouders, gebruik internet door ouders, houding ouders
tegenover internet & aantal kinderen in het gezin.
5.5 kerntaken van ouders: voorlichten/informeren, evalueren en controleren.
5.6 ouders denken soms dat school hun kinderen wel leert hoe om te gaan met internet.
Dit klopt niet, wat school ze leert is altijd in een educatief kader. Scholen weten zich nog
weinig raad met het benutten van de computer en mogelijkheden die internet bied.
5.7 om jeugdigen te helpen om goed om te gaan met internet en social media en te
voorkomen dat ze ontsporen, moeten opvoeders en relevante instellingen zich voldoende
kennis eigen maken van de werking van sociale media en de mogelijkheden en
gevaren hiervan.
Hoofdstuk 7: Cyberpesten, een uitwas van het internetverkeer
7.1 uiteenlopende cijfers over de prevalentie van cyberpesten (10-27%). Daders van
cyberpesten: 15-25%.
7.2 vormen van cyberpesten: roddelen, belasteren, schelden, bedreigen, belachelijk
maken, stalken, uitsluiten, kwetsend beeldmateriaal verspreiden, chanteren.
7.3 factoren die samenhangen met pesten: geslacht, leeftijd en type onderwijs.
7.4 kenmerken slachtoffers: sociaal angstig, somber, laag zelfbeeld, weinig
weerbaarheid, fysieke klachten. Kenmerken daders: agressief, weinig sociaal, leiders.
7.5 kenmerken gezinnen van slachtoffers: afwijzende en ongeïnteresseerde ouders
& geïsoleerde gezinnen. Kenmerken gezinnen van daders: weinig controle,
verwennende/agressieve ouders.
7.6 gevolgen: stress, angst, laag zelfbeeld, isolement, boosheid, depressie,
zelfverwonding, slechte schoolprestaties.