1
, 1. PLANTEN
1.1 HOOFDGROEPEN
Wieren (algen)
- Eenvoudige bouw
- Geen echte wortels, stengels en bladeren.
- Leven voornameijk in het water of in een vochtige omgeving hebben geen vaatbundels.
- Korstmos hoort hierbij een korstmos is een samenlevingsvorm tussen een alg en een
schimmel (symbiose: beide organismen hebben hier voordeel van, blz. 27).
- Fotosynthese eigen voedsel maken.
Mossen
- Landplanten wel vochtige omgeving nodig.
- Geen vaatbundels en wortels, maar “haartjes”.
- Nemen water op via hun dunne simpele blaadjes.
- Groeien in groepen (om water vast te houden en tegen verdamping: kussentjes).
- Voortplanting: sporendragers (doosje op een steeltje) bij droog weer (voorjaar) springt
het open en worden de sporen via de licht verspreid (blz. 28).
Paardenstaarten (houtachtige puntplant)
- Wortels, bladeren en stengels hebben een waslaag tegen uitdroging.
- Vaatbundels.
- Houtachtig materiaal zorgt voor stevigheid.
- Kunnen hoog groeien (tot 1 meter) hoe hoger hoe meer zonlicht.
- Geleden stengel.
- Sporen.
Varens
- Veelnervige bladeren.
- Aan de onderkant van de bladeren groeien sporendragers (bruine puntjes/streepjes).
- Voortplanting door sporen sporenplanten.
- Vaatbundels.
Zaadplanten
- Wortelstelsel en vaatbundels.
- Stevige bladeren en stengels hebben een wasachtige laag.
- Bijvoorbeeld loof- en naaldbomen (boomstam is de stengel).
- Voortplanting door middel van zaden (bevat embryonaal plantje met voedsel voor de
kiemperiode, sporen bevatten alleen wat erfelijk materiaal). Tijdens de kiemperiode barst de
zaadhuid open embryonaal plantje ontwikkelt zicht tot een kiemplantje met een
wortelstelsel en bladeren.
- Twee subgroepen: coniferen en bloemplanten. Coniferen: kegels (dennenappels)
naaktzadigen. Bloemplanten: hebben bloemen bedektzadigen.
1.2 DE BOUW VAN ZAADPLANTEN
Kiemings- en groeifactoren voor een plant zijn licht, CO2, zuurstof, water, voedingszouten en
warmte.
Transportsysteem zaadplanten:
- Houtvaten: vervoeren water en zouten vanuit de wortels naar de rest van de plant.
2