Hoogsteder (2015). Agressie regulatie op maat (residentieel)
Uitgebreide beschrijving
Doelgroep
Agressie regulatie op maat (ARM) is voor meisjes en jongens met ernstige agressieproblematiek van 16-21
jaar met een IQ boven de 70. De jongeren verblijven in een residentiële voorziening en vertonen antisociaal
gedrag en reactieve/instrumentele agressie (hardnekkig patroon). Er is een matig of (zeer) hoog
recidiverisico. Ze worden gekenmerkt door geringe impulscontrole, cognitieve vervormingen leidend tot
agressief gedrag en problemen in het verwerken van sociale informatie. De jongeren (en hun ouders) zijn
intensief betrokken bij de ontwikkeling van de interventie. In het figuur hieronder staan de inclusiecriteria:
Algemene criteria Contra-indicaties
1. Beheerst de Nederlandse taal voldoende; instructies en 1. Primaire verslaving;
aanwijzingen begrijpen 2. Acute psychose of ernstig trauma
2. IQ van ≥70 en leeftijd 16-21 jaar 3. Agressie uitsluitend op zichzelf (automutilatie)
3. Matig of (zeer) hoog recidiverisico gemeten door SAVRY
Verdiepingscriteria (≥4)
1. Gerichte agressieregulatie (blijkt uit persoonlijkheidsonderzoek)
2. Wekelijks geuit naar andere personen of materiaal (blijkt uit groepsrapportage en registratie TULP)
3. ≥2 blind van woede en niet weten wat je doet
4. Agressieve gedrag in recente verleden/heden voor problemen gezorgd ≥2 leefgebieden
5. Agressieve gedrag geleid tot residentiële plaatsing
6. Scoort hoog op de SAVRY op ≥3 items (negatieve gedachtes, impulsiviteit, aandachttekort, problemen met hanteren
van boosheid, ervaren stress en geringe coping vaardigheden)
7. Scoort in totaal ≥40 op de V-LIG op de schaal Agressie en Wantrouwen
Doel
Het primaire doel is tweedelig; enerzijds het verminderen of stoppen van agressief gedrag in het heden
(aantal agressie incidenten neemt af, minder agressiegevoelens en gedachtes en minder conflicten op
leefgebieden) en anderzijds verminderen van recidive op gewelddadig gedrag in de toekomst (gemeten
door de SAVRY). Daarbij zijn er concrete subdoelen (zie volgende pagina); of een doel bereikt is wordt per
module geëvalueerd en er worden vragenlijsten afgenomen.
Aanpak
ARM is een individuele behandeling die gebruikt maakt van de RNR-principes, een cognitief gedragsmatige
aanpak en het structureel aanbieden van doe-oefeningen met aandacht voor motiveren. Het bevat vijf fasen:
1. Indiceren: risicotaxatie en assessment, en de intake.
2. Pre-behandeling: aangaan van contact, motiveren, empoweren, opstellen van een veiligheidsplan,
psycho-educatie, inzicht krijgen in de agressieketen en indiceren van optionele modules.
1
, Subdoelen
• De jongere is gemotiveerd om de behandeling te doorlopen, bv. zicht op nadelen voor zichzelf van agressief
handelen.
• De jongere kan adequate (geweldloze) oplossingen bedenken voor verschillende situaties die hij/zij lastig
vindt.
• De jongere is in staat tot het innemen van perspectief, bv. van verschillende kanten kijken en bedenken hoe
iemand anders erover denkt.
• De jongere neemt verantwoording voor eigen gedrag, bv. kijkt ook naar eigen aandeel
• De interactie tussen opvoeder(s) en de jongere is verbeterd; opvoeder(s) en jongere beschikken over
vaardigheden voor het verbeteren van contact en adequaat hanteren en oplossen van conflicten, bv. opvoeder
kan valideren en conflictremmers toepassen.
• De jongere reduceert gevoelens van stress, boosheid, spanningen en agressie en past regelmatig functionele
coping vaardigheden toe.
• De jongere kan eigen impulsen waarnemen en deze uitstellen/stoppen.
• De jongere beschikt over adequate beheersingsvaardigheden.
• De jongere hanteert minder cognitieve vervormingen die agressief gedrag in stand houden, bv. functionele
gedachten toepassen.
• De jongeren kan het gedrag van anderen objectief waarnemen en via rationele gedachten interpreteren.
• De jongere kan zijn emoties reguleren; hij herkent ze en kan deze zo vormgeven dat verwerken/loslaten
mogelijk is.
• De jongere is in staat asserties te handelen, bv. rekening houden met de ander zonder agressief te doen.
Daarnaast blijkt de jongere weerbaar tegen negatieve invloed van leeftijdsgenoten.
• De jongere beschikt over adequate vaardigheden in omgaan met conflicten, bv. adequaat met autoriteiten
omgaan en kritiek kan ontvangen zonder boosheid.
3. Behandeling: aanbieden van de standaard module en de geïndiceerde modules.
4. Afronding van behandeling: doelen zijn behaald, bevestigd door aanwezigheid van een
terugvalpreventieplan en aanbieden van een certificaat.
5. Nazorg: twee opties:
• Als de jongere de behandeling afrondt met een certificaat, maar hij/zij nog niet op STP
(scholings- en trainingsprogramma) of proefverlof gaat, wordt ≥3 maanden, elke maand een
individuele terugkomsessie aangeboden, waarmee geleerde vaardigheden worden geëvalueerd
en eventueel aanvullende oefeningen worden meegegeven. Mocht een jongere in oud gedrag
vervallen, wordt individuele begeleiding geïntensiveerd.
• Als de jongere de inrichting heeft verlaten krijgt hij/zij standaard om de week telefonische
begeleiding voor 3 maanden. Dit wordt geïntensiveerd als er terugval dreigt.
Het accent ligt op de individuele behandeling (inclusief het betrekken van het gezin en het mobiliseren van
steunende netwerkleden). Als de jeugdige tijdens de individuele behandeling toe is aan de module invloed
van het denken kan er deelgenomen worden aan de groepsmodule (behalve bij contra-indicatie). Opvoeders
en groepsleiders worden bij de behandeling betrokken. Een individuele sessie vindt minimaal eens per week
plaats en duurt minimaal een uur bij een matig recidiverisico en grote responsiviteit. De groepstraining duurt
anderhalf uur en bestaat uit minimaal 12-14 bijeenkomsten. Elke module bestaat uit enkele bijeenkomsten.
2