INLEIDING
Bewegen = alle ongeorganiseerde (niet aan een club/instituut gebonden)
bewegingsactiviteiten, zoals het gras maaien en een flink stuk met de hond
wandelen, maar ook het fietsen naar school en de trap nemen in plaats van de lift.
Bewegen kan ook een bepaald doel hebben, zoals joggen om wat af te vallen of het
volbrengen van bijvoorbeeld de avondvierdaagse.
Sport = een vaardigheidsspel, gericht op het bereiken van een bepaald doel, waarbij
fysieke kwaliteiten van mensen worden getest in wedstrijdvorm en waarbij gespeeld
wordt volgens regels, binnen institutionele kaders.
Kenmerken definitie sporten:
● Een sport heeft vastgelegde regels, die bij alle spelers bekend horen te zijn.
● Een sport heeft een competitieaspect.
● Een sport wordt beoefend voor het plezier van de deelnemers en/of van de
toeschouwers.
● Een sport bestaat uit een fysieke of mentale activiteit uitgevoerd individueel of in
teamverband, met of zonder tegenspelers om van te winnen (bijvoorbeeld voetbal),
of om een doel te bereiken (bijvoorbeeld bergbeklimmen), of om
gezondheidsredenen (bijvoorbeeld fitness).
● Het primaire doel van een competitie is om volgens de regels te winnen.
Ongeorganiseerde sport = sport buiten sportverenigingen om (bijvoorbeeld met een
vriend gaan mountainbiken).
§3.1 TOEKOMSTORIËNTATIE
(doorlezen 219-221)
§3.2 DE ONTWIKKELING VAN DE BEWEGINGSCULTUUR
JAGERS EN VERZAMELAARS
● Moesten dagelijks hun voedsel verzorgen en eventueel jagen, kregen genoeg
beweging.
● Tijdens de ontwikkeling van de agrarische samenleving, kreeg men allemaal een
taak. BV: schoenmaker of soldaat, beide andere trainingen.
, DE GRIEKEN (1200-800 V. CHR.)
● Bewegen had belangrijke rol, ontstaan van de Olympische Spelen
➢ Filosofen bezig met: ‘zorg goed voor je fysieke en mentale gezondheid, voor
algeheel bevinden’.
● Rond 300 v.chr, men werd meer ‘ieder voor zich’, interesse ‘spelen nam af, 393 werd
het afgeschaft.
DE ROMEINEN (700 V.CHR - 500)
● Lichaamsoefeningen belangrijk en bepaalden een belangrijk deel van de opvoeding
om in het beroemde Romeinse leger ooit te dienen.
● Toen Rome groot en machtig was, vroegen ze om vermaak en sensatie (vertoningen
geweld). Waren veel gevechten tussen slaven, ‘barbaren’, leeuwen en stieren, tot de
dood.
DE MIDDELEEUWEN (500-1500(
● Het bestaan op het platteland was al hard genoeg, geen lichamelijke oefeningen in
het onderwijssysteem.
● Bij adel was er tijd en ruimte voor vermaak zoals: paardrijden, zwemmen en
worstelen.
DE VERLICHTING
● Vanaf 18e eeuw, mede als gevolg van de ideeën van de verlichting over de
pedagogiek (de leer over het opvoeden van kinderen), steeds meer aandacht voor
lichamelijke opvoeding op school.
● Ontstonden verschillende ‘stelsels’. Dit zijn onderwijsplannen met een eigen idee
over opvoeden, elk stelsel had een eigen doelstelling met uitvoeringswijze.
● Pierre de Coubertin ‘heropende’ de Olympische Spelen in 1896 in Athene.
DE NIEUWE TIJD (VANAF 1900)
● In Engeland ligt de basis van de huidige teamsport (einde 19e eeuw) met cricket en
roeien, snel gevolgd door atletiek, hockey en voetbal.
● Door het ontstaan van ‘het record’ en ‘de prestatie’ vanuit Amerika wilde iedereen
steeds hoger of beter worden.
● Er werd nagedacht hoe je een spel slimmer kon uitvoeren, wat leidde tot regels en
uiteindelijk tot sportgebonden.
➢ Om een sport landelijk zo goed mogelijk te reguleren en organiseren.
● Na de tweede wereldoorlog ging de ontwikkeling van de sport erg snel, mensen
hadden geld beschikbaar om te participeren in de sport. De wereld van sport en
bewegen ontwikkelde zich door tot de situatie die we nu kunnen.
● Laatste jaren gaat sport ook heel hard, zo was 50 jaar geleden elke sporter een
man, geen overheidsbemoeienis, geheel amateuristisch, geen sponsoren, niveau
relatief laag en was 30 jaar geleden elke sporter lid van een club.