College 3
Bij as-II- persoonlijkheidsstoornissen werkt werkte niet altijd de behandeling volgens het
protocol, vandaar schemagerichte therapie. Het werkte niet bij karakterologische problemen
en chronische as-I stoornissen is er vaak sprake van ‘oude onaangepaste schema’s’, veelal
ontstaat in de kindertijd. Het is dus niet voor iedereen effectief.
Schema
Breed, algemeen verbreid thema of patroon
Bestaande uit herinneringen, emoties, cognities en lichamelijke gewaarwording
Met betrekking tot zichzelf en de relaties met anderen
Dat ontstaan is tijds de kindertijd of adolescentie
In de loop van de tijd verder uitgebreid
In belangrijke mate disfunctioneel
Oorsprong schema’s
Onze emotionele basisbehoeftes: heeft geen hiërarchie
1. Veilige hechting aan anderen (inclusies zekerheid, stabiliteit, aandacht, acceptatie,
verbondenheid, liefde)
2. Autonomie, competentie, identiteitsgevoel (het gevoel dat je je eigen weg mag gaan
en dat ook kunt)
3. Realistische grenzen en zelfbeheersing
4. Vrijheid (het recht om je eigen behoeftes en gevoelens te uiten
5. Spontaniteit, spel, plezier
Schemadomeinen -> wanneer niet aan de schema’s hierboven wordt voldaan
1. Ongebondenheid en afwijzing (verwachting dat behoefte aan veiligheid, acceptatie,
empathie e.d. niet zal worden gehonoreerd)
2. Verzwakte autonomie en verzwakt functioneren (verwachting over zelf of omgeving
niet af te kunnen scheiden, onafhankelijk te functioneren of goed te presteren
3. Verzwakte grenzen (te weinig eigen grenzen, verantwoordelijkheid naar anderen of
doelgerichtheid op lange termijn)
4. Gerichtheid op anderen (overmatige gerichtheid op verlangens, gevoelens en
reacties van anderen ten koste van eigen behoeften ten einde liefde en goedkeuring
te verwerven
5. Overmatige waakzaamheid en inhibitie (onderdrukken van spontane gevoelens,
impulsen en keuze; het volgen van starre geïnternaliseerde .. en verwachtingen, vaak
ten koste van geluk, ontspanning, gezondheid)
Schema’s: hieronder vallen een aantal persoonlijkheidskenmerken
Domein 1: ongebondenheid en afwijzing
Domein 2: verzwakte autonomie en verzwakt functioneren
Domein 3: verzwakte grenzen
Domein 4: gerichtheid op anderen
Domein 5: overmatige waakzaamheid en inhibitie
, Persoonlijkheidsproblematiek
Mensen met schema vinden het moeilijk te veranderen, zijn minder flexibel
Dergelijke schema’s vechten voor hun bestaan
Schema’s zijn onderdeel geworden van identiteit
Hoewel het individu eronder lijdt, is het prettig en vertrouwd (het voelt goed) ->
persoonlijke valkuil
Schema’s bestendigd door cognitieve vervorming en schema gerelateerde
copingstijlen -> cognitieve consistentie
Gedrag is onderdeel van de copingreactie om met het schema om te gaan
(copingreactie = reactie op – vermeend – gevaar) -> dus geen onderdeel van het
schema
Over het algemeen zijn deze copingreacties onbewust
Copingreactie veelal adaptief op kinderleeftijd -> toen positief
Hoe heftiger het schema, hoe makkelijker getriggerd
Zo’n gedragspatroon -> schemamodus (er zijn 5 type modi)
Types modi:
1. Gelukkige kindmodus (de positieve en vrolijke kant in jezelf, die plezier kan maken,
leuke dingen doen en genieten)
2. Gezonde volwassene-modus (de kant van jezelf die erin slaagt het leven goed te
organiseren, dagelijkse problemen op te lossen, relaties te onderhouden)
3. Kindmodi (gekwetste of boze kind; je op een onvolwassen manier zwak,
minderwaardig, verdrietig, of geërgerd, boos, koppig, etc. voelen)
4. Oudermodi (als je sterke kindmodi hebt, heb je meestal ook een andere kant, waarin
je negatief over jezelf denkt en jezelf afwijst of opjaagt)
5. Overlevingsmodi (als je veel nare dingen meemaakt in je jeugd ontwikkel je manieren
om te overleven, om niet te voelen)
Kindmodi
In principe gevoelens die iedereen heeft; verschil is dat kindmodi opgeroepen worden door
ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen (reacties zijn ‘te heftig’).
Gekwetste kind: angstig, verdrietig, eenzaam, vertwijfeld, hulpeloos, beschaamd,
verlaten, afhankelijk, vernederd, verwaarloosd, misbruikt.
Boze en impulsieve kind: geërgerd, boos, razend, impulsief, koppig,
ongedisciplineerd, verwend, opstandig.
Ouder-modi
Patronen die ervoor zorgen dat je jezelf onder druk zet, afwijst of zelfs haat
Veeleisende ouder-modus: richt zich met name op prestaties, maakt dat je naar
perfectie streeft en alles in het werk stelt om de beste te worden. Bezorgt je vaak het
gevoel dat je faalt, een mislukkeling bent.
Schuldinducerende ouder-modus: bepaalt hoe je je moet voelen en gedragen in
sociale situaties. Je denkt dat je altijd klaar moet staan voor anderen, geen kritiek
mag hebben, aardig moet zijn, verantwoordelijk bent voor het welzijn van anderen.
Als dat niet lukt voel je je schuldig.
Bij as-II- persoonlijkheidsstoornissen werkt werkte niet altijd de behandeling volgens het
protocol, vandaar schemagerichte therapie. Het werkte niet bij karakterologische problemen
en chronische as-I stoornissen is er vaak sprake van ‘oude onaangepaste schema’s’, veelal
ontstaat in de kindertijd. Het is dus niet voor iedereen effectief.
Schema
Breed, algemeen verbreid thema of patroon
Bestaande uit herinneringen, emoties, cognities en lichamelijke gewaarwording
Met betrekking tot zichzelf en de relaties met anderen
Dat ontstaan is tijds de kindertijd of adolescentie
In de loop van de tijd verder uitgebreid
In belangrijke mate disfunctioneel
Oorsprong schema’s
Onze emotionele basisbehoeftes: heeft geen hiërarchie
1. Veilige hechting aan anderen (inclusies zekerheid, stabiliteit, aandacht, acceptatie,
verbondenheid, liefde)
2. Autonomie, competentie, identiteitsgevoel (het gevoel dat je je eigen weg mag gaan
en dat ook kunt)
3. Realistische grenzen en zelfbeheersing
4. Vrijheid (het recht om je eigen behoeftes en gevoelens te uiten
5. Spontaniteit, spel, plezier
Schemadomeinen -> wanneer niet aan de schema’s hierboven wordt voldaan
1. Ongebondenheid en afwijzing (verwachting dat behoefte aan veiligheid, acceptatie,
empathie e.d. niet zal worden gehonoreerd)
2. Verzwakte autonomie en verzwakt functioneren (verwachting over zelf of omgeving
niet af te kunnen scheiden, onafhankelijk te functioneren of goed te presteren
3. Verzwakte grenzen (te weinig eigen grenzen, verantwoordelijkheid naar anderen of
doelgerichtheid op lange termijn)
4. Gerichtheid op anderen (overmatige gerichtheid op verlangens, gevoelens en
reacties van anderen ten koste van eigen behoeften ten einde liefde en goedkeuring
te verwerven
5. Overmatige waakzaamheid en inhibitie (onderdrukken van spontane gevoelens,
impulsen en keuze; het volgen van starre geïnternaliseerde .. en verwachtingen, vaak
ten koste van geluk, ontspanning, gezondheid)
Schema’s: hieronder vallen een aantal persoonlijkheidskenmerken
Domein 1: ongebondenheid en afwijzing
Domein 2: verzwakte autonomie en verzwakt functioneren
Domein 3: verzwakte grenzen
Domein 4: gerichtheid op anderen
Domein 5: overmatige waakzaamheid en inhibitie
, Persoonlijkheidsproblematiek
Mensen met schema vinden het moeilijk te veranderen, zijn minder flexibel
Dergelijke schema’s vechten voor hun bestaan
Schema’s zijn onderdeel geworden van identiteit
Hoewel het individu eronder lijdt, is het prettig en vertrouwd (het voelt goed) ->
persoonlijke valkuil
Schema’s bestendigd door cognitieve vervorming en schema gerelateerde
copingstijlen -> cognitieve consistentie
Gedrag is onderdeel van de copingreactie om met het schema om te gaan
(copingreactie = reactie op – vermeend – gevaar) -> dus geen onderdeel van het
schema
Over het algemeen zijn deze copingreacties onbewust
Copingreactie veelal adaptief op kinderleeftijd -> toen positief
Hoe heftiger het schema, hoe makkelijker getriggerd
Zo’n gedragspatroon -> schemamodus (er zijn 5 type modi)
Types modi:
1. Gelukkige kindmodus (de positieve en vrolijke kant in jezelf, die plezier kan maken,
leuke dingen doen en genieten)
2. Gezonde volwassene-modus (de kant van jezelf die erin slaagt het leven goed te
organiseren, dagelijkse problemen op te lossen, relaties te onderhouden)
3. Kindmodi (gekwetste of boze kind; je op een onvolwassen manier zwak,
minderwaardig, verdrietig, of geërgerd, boos, koppig, etc. voelen)
4. Oudermodi (als je sterke kindmodi hebt, heb je meestal ook een andere kant, waarin
je negatief over jezelf denkt en jezelf afwijst of opjaagt)
5. Overlevingsmodi (als je veel nare dingen meemaakt in je jeugd ontwikkel je manieren
om te overleven, om niet te voelen)
Kindmodi
In principe gevoelens die iedereen heeft; verschil is dat kindmodi opgeroepen worden door
ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen (reacties zijn ‘te heftig’).
Gekwetste kind: angstig, verdrietig, eenzaam, vertwijfeld, hulpeloos, beschaamd,
verlaten, afhankelijk, vernederd, verwaarloosd, misbruikt.
Boze en impulsieve kind: geërgerd, boos, razend, impulsief, koppig,
ongedisciplineerd, verwend, opstandig.
Ouder-modi
Patronen die ervoor zorgen dat je jezelf onder druk zet, afwijst of zelfs haat
Veeleisende ouder-modus: richt zich met name op prestaties, maakt dat je naar
perfectie streeft en alles in het werk stelt om de beste te worden. Bezorgt je vaak het
gevoel dat je faalt, een mislukkeling bent.
Schuldinducerende ouder-modus: bepaalt hoe je je moet voelen en gedragen in
sociale situaties. Je denkt dat je altijd klaar moet staan voor anderen, geen kritiek
mag hebben, aardig moet zijn, verantwoordelijk bent voor het welzijn van anderen.
Als dat niet lukt voel je je schuldig.