Guyton Textbook of Medical Physiology 14th edition.
Ch. 79
De alvleesklier scheidt 2 hormonen af: Insuline en glucagon. Insuline speelt een belangrijke rol
bij de opslag van overmaat aan energie. In het geval van koolhydraten worden ze als glycogeen
opgeslagen in lever en spieren. Ook heeft insuline een direct effect bij aminozuren opname.
Menselijk insuline bestaat uit 2 aminozuurketens die vastzitten met disulfide verbindingen.
Wanneer ze gesplitst worden gaat de werking verloren. Insuline wordt gevormd uit betacellen in
de volgende stappen: (1.) Translatie van insuline RNA van ribosomen aan het ER, hierdoor
wordt er preproinsuline gevormd. Dit wordt geknipt en er ontstaat proinsuline, dat bestaat uit 3
peptideketens. Dit wordt weer verder verwerkt tot insuline. Ook ontstaat er een C peptideketen
die we Connecting peptide noemen. Insuline heeft een korte halfwaardetijd van 6 minuten
waardoor het snel uit de bloedsomloop is. Als het gebonden is aan eiwitten duurt dit langer.
Om de cellen te beinvloeden moet insuline eerst binden met een membraanreceptoreiwit. Deze
receptor bestaat uit 2 alpha delen en 2 beta delen. Insuline bindt met de alpa’s wat ervoor zorgt
dat een deel van de beta’s autofosforylated worden. Het is een enzym-linked receptor. Die
fosforylatie leidt tot activatie van tyrosine kinase wat leidt tot fosforylatie van andere enzymen
zoals IRS. Effecten van insuline zijn: Snelle opname van glucose (NIET IN NEURONEN IN DE
HERSENEN), Celmembraan wordt meer permeabel, Langzamere effecten.
Gelijk nadat glucose in het bloed komt stijgt de insuline wat zorgt voor snelle opname, opslag en
gebruik. Meestal gebruiken spieren vetzuren omdat ze niet erg permeabel zijn voor glucose
tenzij er insuline aanwezig is. Echter, tijdens zware inspanning of in de uren na een grote
maaltijd nemen spieren glucose op. Wanneer de glucose niet verbruikt wordt gaat het over in
glycogeen opslag in de spieren, en kan later weer gebruikt worden.
Een van de belangrijkste van glucose is de opslag van glucose in lever en
glycogeen. Wanneer er dan een periode is van weinig eten → de glucose daalt en
insuline zorgt voor omzet in glucose. Dit mechanisme heeft een aantal stappen:
Insuline activeert phosphorylase, Insuline verbetert opname van glucose door
toename van activiteit van enzym glucokinase, en het verhoogd activiteit van
glycogeen synthese.
Mechanismen die zorgen voor afgifte van glucose aan het bloed: alvleesklier zorgt voor afname
van insuline secretie, het tekort aan insuline activeert het enzym phosphorylase dat glycogeen
splitst in glucose fosfaat, en ten slotte wordt het enzym glucose fosfaat geactiveerd.
Wanneer er meer glucose in de lever komt dan er kan worden opgeslagen stimuleert insuline de
conversie van glucose in vetzuren. Insuline remt gluconeogenesis.
In de hersenen heeft insuline weinig effect op de opname van glucose. Meeste hersencellen zijn
permeabel voor glucose en kunnen het gebruiken zonder insuline nodig te zijn. Hersenen
gebruiken alleen maar glucose voor de energie. Bij een tekort kan er hypoglycemic shock
ontstaan.
Insuline leidt tot vetopslag. Eerst verhoogt het glucose gebruik, waardoor vetzuren niet gebruikt
worden. Ook zorgt het voor synthese van vetzuren. De volgende punten zorgen voor een
toename van vetzuur synthese in de lever: Insuline verhoogt glucose transport, een overmaat
citroenzuur wordt gevormd door citroenzuurcyclus wanneer een overmaat glucose wordt
gebruikt voor energie en de meeste vetzuren worden gesyntheerd in de lever en gebruikt voor
Ch. 79
De alvleesklier scheidt 2 hormonen af: Insuline en glucagon. Insuline speelt een belangrijke rol
bij de opslag van overmaat aan energie. In het geval van koolhydraten worden ze als glycogeen
opgeslagen in lever en spieren. Ook heeft insuline een direct effect bij aminozuren opname.
Menselijk insuline bestaat uit 2 aminozuurketens die vastzitten met disulfide verbindingen.
Wanneer ze gesplitst worden gaat de werking verloren. Insuline wordt gevormd uit betacellen in
de volgende stappen: (1.) Translatie van insuline RNA van ribosomen aan het ER, hierdoor
wordt er preproinsuline gevormd. Dit wordt geknipt en er ontstaat proinsuline, dat bestaat uit 3
peptideketens. Dit wordt weer verder verwerkt tot insuline. Ook ontstaat er een C peptideketen
die we Connecting peptide noemen. Insuline heeft een korte halfwaardetijd van 6 minuten
waardoor het snel uit de bloedsomloop is. Als het gebonden is aan eiwitten duurt dit langer.
Om de cellen te beinvloeden moet insuline eerst binden met een membraanreceptoreiwit. Deze
receptor bestaat uit 2 alpha delen en 2 beta delen. Insuline bindt met de alpa’s wat ervoor zorgt
dat een deel van de beta’s autofosforylated worden. Het is een enzym-linked receptor. Die
fosforylatie leidt tot activatie van tyrosine kinase wat leidt tot fosforylatie van andere enzymen
zoals IRS. Effecten van insuline zijn: Snelle opname van glucose (NIET IN NEURONEN IN DE
HERSENEN), Celmembraan wordt meer permeabel, Langzamere effecten.
Gelijk nadat glucose in het bloed komt stijgt de insuline wat zorgt voor snelle opname, opslag en
gebruik. Meestal gebruiken spieren vetzuren omdat ze niet erg permeabel zijn voor glucose
tenzij er insuline aanwezig is. Echter, tijdens zware inspanning of in de uren na een grote
maaltijd nemen spieren glucose op. Wanneer de glucose niet verbruikt wordt gaat het over in
glycogeen opslag in de spieren, en kan later weer gebruikt worden.
Een van de belangrijkste van glucose is de opslag van glucose in lever en
glycogeen. Wanneer er dan een periode is van weinig eten → de glucose daalt en
insuline zorgt voor omzet in glucose. Dit mechanisme heeft een aantal stappen:
Insuline activeert phosphorylase, Insuline verbetert opname van glucose door
toename van activiteit van enzym glucokinase, en het verhoogd activiteit van
glycogeen synthese.
Mechanismen die zorgen voor afgifte van glucose aan het bloed: alvleesklier zorgt voor afname
van insuline secretie, het tekort aan insuline activeert het enzym phosphorylase dat glycogeen
splitst in glucose fosfaat, en ten slotte wordt het enzym glucose fosfaat geactiveerd.
Wanneer er meer glucose in de lever komt dan er kan worden opgeslagen stimuleert insuline de
conversie van glucose in vetzuren. Insuline remt gluconeogenesis.
In de hersenen heeft insuline weinig effect op de opname van glucose. Meeste hersencellen zijn
permeabel voor glucose en kunnen het gebruiken zonder insuline nodig te zijn. Hersenen
gebruiken alleen maar glucose voor de energie. Bij een tekort kan er hypoglycemic shock
ontstaan.
Insuline leidt tot vetopslag. Eerst verhoogt het glucose gebruik, waardoor vetzuren niet gebruikt
worden. Ook zorgt het voor synthese van vetzuren. De volgende punten zorgen voor een
toename van vetzuur synthese in de lever: Insuline verhoogt glucose transport, een overmaat
citroenzuur wordt gevormd door citroenzuurcyclus wanneer een overmaat glucose wordt
gebruikt voor energie en de meeste vetzuren worden gesyntheerd in de lever en gebruikt voor