Junqueira’s Basic Histology, Text & Atlas, 16 th
Ed. Mescher
Chapter 12
Bloed bestaat uit cellen en extracellular materiaal dat plasma genoemd wordt. Een volwassene
heeft zo’n 5L bloed. Het bevat de volgende delen:
- Erythrocyten: Rode bloedcellen
- Leukocyten: Witte bloedcellen
- Bloedplaatjes
Serum: De vloeistof die overblijft als bloed stolt.
Hematocrit: Het volume van het bloed dat wordt ingenomen door rode bloedcellen
Buffy coat: laagje na centrifugeren van 1% dat witte bloedcellen en bloedplaatjes bevat
Plasma is een vloeistof met een PH van 7,4. Het bevat eiwitten, voedingsstoffen, hormonen,
ionen etc. Die ionen noemen we ook wel electrolytes. De belangrijkste eiwitten in plasma zijn:
- Albumine: wordt gemaakt in de lever en helpt bij handhaven van osmotische druk in
bloed.
- Globuline: wordt gemaakt in de lever en zorgt voor transferinne en andere transport
factors.
- Immunoglobuline: Wordt afgegeven door plasmacellen en is verantwoordelijk voor
antistoffen en antilichamen.
- Fibrinogeen: Wordt gemaakt in de lever en speelt een belangrijke rol bij bloedstolling.
- Complement eiwitten: Speelt een belangrijke rol in de afweer tegen micro-organismen.
Erytrocyten hebben geen kern of organellen en zijn volledig gevuld met hemoglobine;
verantwoordelijk voor zuurstoftransport. Ze zijn hiervoor erg flexibel en kunnen ze ver in de
capillairen komen. Ook is er door de vorm veel oppervlakte. Door differentiatie verliezen ze kern
en organellen en worden ze uiteindelijk RBC’s. Omdat ze ook geen mitochondriën hebben zijn
ze afhankelijk van anaerobe glycolyse voor energie. Ze leven 120 dagen, daarna treden fouten
op en worden ze vernietigd door macrofagen.
Leukocyten verlaten het bloed en trekken de weefsels in voor hun functie immuniteit.
Leukocyten kun je onderverdelen in 2 hoofdgroepen: granulocyten en agranulocyten.
Granulocyten worden gekenmerkt door de aanwezigheid van specifieke granulen in het
cytoplasma. Agranulocyten kunnen zowel geen als wel granulocyten bevatten. Granulocyten
bevatten 2 types granulen: lysosomen en specifieke granueles. Ook hebben ze polymorphic
nucleus met neutrophils, eosinophils en basophils. Allemaal hebben ze slecht een
levensverwachting van een paar dagen nadat ze het bloed verlaten.
Agranulocyten hebben geen specifieke granules maar hebben wel lysosomen. Deze groep
bevatten lymfocyten en monocyten. Alle leukocyten zijn belangrijk voor afweer tegen micro
organismen en het herstel van beschadigd weefsel. Bij herstel komen cytokinen vrij.
Bloedplaatjes hebben geen kern en helpen bij bloedstolling en herstel. Ze voorkomen dat er
bloed verloren gaat. Ze hebben dan ook maar een levensduur van zo’n 10 dagen.
, Rode bloedcellen: Erythrocyten
Witte bloedcellen: Leukocyten - Granulocyten - Neutrofielen
- Eosinofielen
- Basofielen
- Agranulocyten - Lymfocyten
- Monocyten
Bloedplaatjes: Platelets
Kumar & Clark, Clinical Medicine. 10 th ed.
Chapter 16
De voorloper van RBC’s ondergaan verschillende fase in het beenmerg. De eerste noemen we
pro-erythroblasten. Ze worden kleiner door celdivisie en de kern wordt kleiner. Hierna wordt het
een reticulocyte. Deze bevatten resterend ribosomaal RNA en kunnen nog hemoglobine
vormen. Ze blijven 1-2 dagen in het beenmerg waarna ze hier vertrekken en erytrocyten worden
na nog 1-2 dagen. Late erytroblasten zijn RBC’s met kern en komen alleen voor bij
hematopoëse en beenmergproblemen. In normale situatie sterft zo'n 10% van de erytroblasten
in het beenmerg. Door de afname van hemoglobine die hierdoor ontstaat stijgt EPO.
Erytropoëtine (EPO) is een hormoon dat erytropoëse regelt. Het wordt vooral in de nieren (90%)
en in de lever (10%) gevormd. De productie wordt vooral geregeld door de weefsels
zuurstofspanning. Afgifte van EPO leidt ertoe dat er in het beenmerg uit stamcellen meer rode
bloedcellen gevormd gaan worden. Hemoglobine verzorgt zuurstof en koolstofdioxide transport.
Elke molecuul HbA bestaat uit 2 alfa en 2 beta globine polypeptide ketens. HbA is zo’n 97%.
Hba2 en HbA2Y2 vormen het overige deel. Hemoglobine synthese vindt plaats in mitochondria
van rode bloedcellen. De snelheidsbeperkende stap is conversie van glycine en barnsteenzuur
naar ALA door ALA-synthese. Vitamine B6 is een coenzym voor deze reactie.
De vorm van de RBC’s zorgt voor meer oppervlakte voor opname en afgifte. Hemoglobine raakt
verzadigd in de haarvaten waar de partiële druk hoog is. Het wordt afgegeven in de weefsels
waar die druk laag is. Een heemverbinding is gebonden aan elke 4 globine ketens. Die groep
heeft een porfyrinering met een ferrometaal-ion die zuurstof kan binden. RBC-metabolisme
maakt 2,3-BPG uit glycolyse. 2,3-BPG zorgt voor afname van affiniteit en een toename van
zuurstof afgifte. H+-ionen en CO2 zorgen ook voor een vermindering in bindingscapaciteit van
hemoglobine, dit noemen we het Bohr-effect.
Er is anemie wanneer er een tekort is aan RBC’s. Veranderingen in hemoglobine kunnen
komen door veranderingen in plasma-volume. Een afname in plasma-volume leidt tot verhoogd
Hb en een verhoogd plasma-volume zorgt voor een valse anemie. Anemie kent 3 oorzaken:
Problemen in productie, in afbraak of bloedverlies. Hierbij kan MCV helpen.
Ed. Mescher
Chapter 12
Bloed bestaat uit cellen en extracellular materiaal dat plasma genoemd wordt. Een volwassene
heeft zo’n 5L bloed. Het bevat de volgende delen:
- Erythrocyten: Rode bloedcellen
- Leukocyten: Witte bloedcellen
- Bloedplaatjes
Serum: De vloeistof die overblijft als bloed stolt.
Hematocrit: Het volume van het bloed dat wordt ingenomen door rode bloedcellen
Buffy coat: laagje na centrifugeren van 1% dat witte bloedcellen en bloedplaatjes bevat
Plasma is een vloeistof met een PH van 7,4. Het bevat eiwitten, voedingsstoffen, hormonen,
ionen etc. Die ionen noemen we ook wel electrolytes. De belangrijkste eiwitten in plasma zijn:
- Albumine: wordt gemaakt in de lever en helpt bij handhaven van osmotische druk in
bloed.
- Globuline: wordt gemaakt in de lever en zorgt voor transferinne en andere transport
factors.
- Immunoglobuline: Wordt afgegeven door plasmacellen en is verantwoordelijk voor
antistoffen en antilichamen.
- Fibrinogeen: Wordt gemaakt in de lever en speelt een belangrijke rol bij bloedstolling.
- Complement eiwitten: Speelt een belangrijke rol in de afweer tegen micro-organismen.
Erytrocyten hebben geen kern of organellen en zijn volledig gevuld met hemoglobine;
verantwoordelijk voor zuurstoftransport. Ze zijn hiervoor erg flexibel en kunnen ze ver in de
capillairen komen. Ook is er door de vorm veel oppervlakte. Door differentiatie verliezen ze kern
en organellen en worden ze uiteindelijk RBC’s. Omdat ze ook geen mitochondriën hebben zijn
ze afhankelijk van anaerobe glycolyse voor energie. Ze leven 120 dagen, daarna treden fouten
op en worden ze vernietigd door macrofagen.
Leukocyten verlaten het bloed en trekken de weefsels in voor hun functie immuniteit.
Leukocyten kun je onderverdelen in 2 hoofdgroepen: granulocyten en agranulocyten.
Granulocyten worden gekenmerkt door de aanwezigheid van specifieke granulen in het
cytoplasma. Agranulocyten kunnen zowel geen als wel granulocyten bevatten. Granulocyten
bevatten 2 types granulen: lysosomen en specifieke granueles. Ook hebben ze polymorphic
nucleus met neutrophils, eosinophils en basophils. Allemaal hebben ze slecht een
levensverwachting van een paar dagen nadat ze het bloed verlaten.
Agranulocyten hebben geen specifieke granules maar hebben wel lysosomen. Deze groep
bevatten lymfocyten en monocyten. Alle leukocyten zijn belangrijk voor afweer tegen micro
organismen en het herstel van beschadigd weefsel. Bij herstel komen cytokinen vrij.
Bloedplaatjes hebben geen kern en helpen bij bloedstolling en herstel. Ze voorkomen dat er
bloed verloren gaat. Ze hebben dan ook maar een levensduur van zo’n 10 dagen.
, Rode bloedcellen: Erythrocyten
Witte bloedcellen: Leukocyten - Granulocyten - Neutrofielen
- Eosinofielen
- Basofielen
- Agranulocyten - Lymfocyten
- Monocyten
Bloedplaatjes: Platelets
Kumar & Clark, Clinical Medicine. 10 th ed.
Chapter 16
De voorloper van RBC’s ondergaan verschillende fase in het beenmerg. De eerste noemen we
pro-erythroblasten. Ze worden kleiner door celdivisie en de kern wordt kleiner. Hierna wordt het
een reticulocyte. Deze bevatten resterend ribosomaal RNA en kunnen nog hemoglobine
vormen. Ze blijven 1-2 dagen in het beenmerg waarna ze hier vertrekken en erytrocyten worden
na nog 1-2 dagen. Late erytroblasten zijn RBC’s met kern en komen alleen voor bij
hematopoëse en beenmergproblemen. In normale situatie sterft zo'n 10% van de erytroblasten
in het beenmerg. Door de afname van hemoglobine die hierdoor ontstaat stijgt EPO.
Erytropoëtine (EPO) is een hormoon dat erytropoëse regelt. Het wordt vooral in de nieren (90%)
en in de lever (10%) gevormd. De productie wordt vooral geregeld door de weefsels
zuurstofspanning. Afgifte van EPO leidt ertoe dat er in het beenmerg uit stamcellen meer rode
bloedcellen gevormd gaan worden. Hemoglobine verzorgt zuurstof en koolstofdioxide transport.
Elke molecuul HbA bestaat uit 2 alfa en 2 beta globine polypeptide ketens. HbA is zo’n 97%.
Hba2 en HbA2Y2 vormen het overige deel. Hemoglobine synthese vindt plaats in mitochondria
van rode bloedcellen. De snelheidsbeperkende stap is conversie van glycine en barnsteenzuur
naar ALA door ALA-synthese. Vitamine B6 is een coenzym voor deze reactie.
De vorm van de RBC’s zorgt voor meer oppervlakte voor opname en afgifte. Hemoglobine raakt
verzadigd in de haarvaten waar de partiële druk hoog is. Het wordt afgegeven in de weefsels
waar die druk laag is. Een heemverbinding is gebonden aan elke 4 globine ketens. Die groep
heeft een porfyrinering met een ferrometaal-ion die zuurstof kan binden. RBC-metabolisme
maakt 2,3-BPG uit glycolyse. 2,3-BPG zorgt voor afname van affiniteit en een toename van
zuurstof afgifte. H+-ionen en CO2 zorgen ook voor een vermindering in bindingscapaciteit van
hemoglobine, dit noemen we het Bohr-effect.
Er is anemie wanneer er een tekort is aan RBC’s. Veranderingen in hemoglobine kunnen
komen door veranderingen in plasma-volume. Een afname in plasma-volume leidt tot verhoogd
Hb en een verhoogd plasma-volume zorgt voor een valse anemie. Anemie kent 3 oorzaken:
Problemen in productie, in afbraak of bloedverlies. Hierbij kan MCV helpen.