Hoorcollege 1
- Wat is politiek
Erg omstreden begrip
Domeinbenadering
Politiek vindt zich plaats in een bepaalde, afgebakende sfeer van menselijke
verhoudingen (sociale domeinen en bepaalde factoren) → specifiek politiek
terrein
Nadruk op overheid en staat
‘Politiek is de wetenschap die het leven van de staat bestudeert’ – Jan
Barents
‘Politiek is het proces waarin maatschappelijke conflicten worden uitgedrukt,
verbonden en opgelost in staatsapparaten en dat qua vorm verloopt volgens
de mechanica van de macht’ – Stuurman
Aspectbenadering
Politiek kan overal zijn en door iedereen worden verricht, en de ‘politiek’ ligt
in eigenschappen van gebeurtenissen/ontwikkelingen
Overal waar in menselijke verhoudingen een patroon bestaat van verschillen
in macht, heerschappij of gezag, is er sprake van politiek
o Kan overal zijn, ook op scholen, verenigingen, enz. (op institutioneel
of collectief niveau)
Kenmerken:
o Strijd om macht
o Conflicten
o Verdelingsvraagstukken
Algemene aspecten van politiek
Politiek betreft collectiviteiten (twee of meer mensen)
Politiek gaat over zaken die een collectiviteit moet regelen/oplossen
Politiek gaat over macht(gebruik)
Politiek gaat zowel over het proces als over de uitkomst
Politiek gaat om impliciet of expliciet conflict, onenigheid, botsingen of
verschillende belangen
Politiek gaat om verschillende vormen van interactie/regulering/beheersing
van zo een conflict
,Hoorcollege 2
- Politicologie als dé sociale wetenschap
Ontwikkelt theorieën en voert empirisch onderzoek uit om politieke vragen te
beantwoorden
Antwoorden worden ontwikkeld en gepresenteerd met transparante twijfel: expliciet
de onzekerheidsgraad van antwoorden in te schatten en aan te geven
Helderheid, logische kwaliteit, en de maat van overeenkomst met de
empirische wereld van theoretische stellingen en concepten
Maakt gebruik van bevindingen van andere sociale wetenschappen
- Politicologie gaat om het oplossen van politieke controversen (vragen of debatten over
politicologie)
Typen controversen of politieke vragen/debatten
Beschrijvende vragen/debatten
o Bijv. Wat definieert en wat zijn verschijningsvormen van populisme
o Bijv. Hebben wij meer of minder populisme dan 10 jaar geleden?
Verklarende vragen/debatten
o Bijv. In hoeverre wordt rechts – nationalistisch populisme beïnvloed
door inkomstongelijkheid?
o X →? → Y
o ?→Y
o X →?
o Nadruk op oorzaak – gevolg kwesties
Normatieve vragen/debatten
o Bijv. Wat zouden gevestigde partijen moeten doen om steun voor
populisme te verminderen?
o Normatief beladen, nadruk op goed of fout
Omvang van controversen of politieke vragen/debatten
Context – specifieke debatten
o In tijd en plaats én probleem – specifiek
o Gedeeltelijk oplosbaar door empirisch onderzoek
o Bijv. Wat verklaart de Eerste Wereldoorlog?
Mid – level debatten
o Probleem – specifiek
o Gedeeltelijk oplosbaar door empirisch onderzoek
o Bijv. Wat ligt achter rechts – nationalistisch populisme?
Eeuwige debatten
o Allesomvattend en paradigmatisch
o Niet oplosbaar door empirisch onderzoek
o Bijv. Wat is de relatie tussen de politiek en de economie?
o Meer ideologisch van aard
Beantwoorden van controversen
Formulering
Conceptualisering
o Concepten hebben vaak abstracte en omstreden aard
◊ Abstract: milieubeweging, democratie, globalisering
, ◊ Omstreden: terrorisme, groene energie, fake news
o Aanduiden van een bepaald begrip
o Minimale definitie
◊ Veelomvattend maar weinig aspecten van het concept
◊ Bijv. Globalisering → wereldwijd verwevenheid
o Ideaaltype
◊ Weinig omvattend maar veel aspecten van het concept
◊ Steeds meer kenmerken aan een concept toevoegen,
waardoor steeds minder situaties onder het concept vallen
◊ Bijv. Globalisering → hoge €-waarden van stromingen van en
openheid t.o.v. goederen, investering, arbeid in verhouding
tot nationale zaken
Theoretische argumentatie
o Argumentenmappen
◊ Verbanden worden gevisualiseerd met pijlen, die negatief of
positief effect op elkaar kunnen hebben
◊ ‘Ceteris Paribus’ principe: variabelen die niet worden
meegenomen in argumentenmappen blijven gelijk
Empirische onderbouwing
o Door toetsen en illustreren van concepten en argumenten
o Anekdoten
o Kwalitatieve casussen
◊ Bijv. vergelijk verschillende tijden van een land → voor en na
de oorlog
o Beschrijvende kwantitatieve informatie
o Inferentiële kwantitatieve informatie
◊ Zoek correlatie (statistische samenhang) tussen twee
variabelen
◊ Inferentie: generaliseren van waarnemingen, kenmerken en
eigenschappen