Paragraaf 1: Het interne milieu
Hypothalamus: Hersendeel met receptoren voor de
kerntemperatuur; bevat het regelcentrum die de norm voor de
kerntemperatuur bewaakt.
Bij onderkoeling vernauwen de kringspiertjes in slagadertjes
naar de huid en spieren, zodat er minder bloed naar de schil
gaat. Deze herverdeling van bloed zorgt ervoor dat warmte in
de kern wordt vastgehouden.
Bij koorts heeft de hypothalamus de norm verhoogt en gaan
de effectoren aan de slag alsof er onderkoeling dreigt. Een
hogere lichaamstemperatuur stimuleert de productie en de
afgifte van afweerstoffen.
Cytokine: Eiwit uitgescheiden door bepaalde witte
bloedcellen, onder andere bij ontstekingen. Werkt als
boodschapperstof bij celcommunicatie en verhoogt bij een
ontsteking de norm van de kerntemperatuur.
Zodra de infectie afdoende is bestreden, gaat de norm terug
naar 37 graden en daalt de kerntemperatuur langzamerhand.
Regelcentrum interne milieu bevindt zich ook in de
hypothalamus.
Gluconeogenese: Het maken van nieuwe glucose uit
aminozuren en vetten als glucagon glycogeen niet meer kan
omzetten tot glucose.
Sensoren, controlecentrum en effectoren staan met elkaar in verbinding door middel van het zenuwstelsel en
het hormoonstelsel.
Paragraaf 2: Processen in de lever
In een sinusoïde komt bloed uit de
leverslagader en de poortader samen.
Rode bloedcellen blijven in de haarvaten.
Bloedplasma in de haarvaten komt in
contact met de levercellen. Levercellen
kunnen dan efficiënte stoffen uit het
bloed opnemen en omzetten. Bewerkte
bloed verlaat het leverlobje via een
centrale ader. Vandaar gaat het via de
leverader naar de onderste holle ader.
Galkanalen voeren de door de levercellen
geproduceerde gal uit de leverlobjes via
de galgang naar de galbuis. Die mondt uit
in de twaalfvingerige darm en de galblaas.
Koolhydraatstofwisseling en de lever
Door insuline daalt glucoseconcentratie
in het bloed. Insuline stimuleert in de
lever en in de spiercellen, de omzetting
van glucose in glycogeen: glycogenese. Als
glycogeen voorraad gevuld is, dan zetten cellen de overige glucose om in vetten. Spiercellen maken glucose vrij
uit hun glycogeenvoorraad of nemen die op uit het bloed. Glucoseconcentratie in het bloed daalt dan tot onder
de normwaarde. Zenuwcellen hebben geen
glycogeenvoorraad en zijn voor hun
energieaanvoer afhankelijk van de glucose
in het bloed. De alvleesklier maakt glucagon
zodat de lever glycogeen omzet in glucose
en dat wordt afgegeven aan het bloed. De
bloedsuikerspiegel stijgt weer.
, Vetstofwisseling en de lever
Glycerol en vetzuren komen via de poortader en de leverslagader de
lever binnen. Essentiële vetzuren kun je alleen via voedsel binnenkrijgen.
Cholesterol: Een vetachtige stof, nodig voor de stabiliteit van
celmembranen en grondstof voor hormonen als oestrogeen en
progesteron.
Vetten zijn hydrofoob en niet oplosbaar in het bloedplasma. De lever
zorgt daarom voor een hydrofiele buiten laag en vormt zo lipoproteïnen:
Vetachtige stoffen, voorzien van een hydrofiele laag.
Eiwitstofwisseling en de lever
Overtollige aminozuren kan de lever afbreken of ombouwen tot andere
aminozuren (transaminering). Bij afbraak verwijdert de lever eerst de
aminogroep: deaminering. NH2 wordt NH3 en uiteindelijk ontstaat
ureum, dat via het bloed en nieren
naar de urine gaat.
Andere functies van de lever:
• Afgestorven rode bloedcellen worden opgeruimd door je lever en milt.
Ferritine: Een eiwit dat ijzer (uit hemoglobine bijv.) bindt voor opslag in de
lever en in het rode beenmerg.
• Detoxificatie: Het afbreken van giftige stoffen (medicijnen, alcohol etc.).
Afbraak alcohol:
• Stoffen opslaan.
• Bloed leveren.
• Gal vormen. Gal
bestaat uit water, bilirubine en eventueel een overschot aan cholesterol. Uit
een groot deel van de
overtollige cholesterol
maakt de lever als eerst
galzouten. Dit gaat naar de
darm en gaat via de
poortader weer naar de
lever. Door dit recyclen
kunnen dezelfde zouten 6
tot 10 keer per dag in de
darm hun werk doen
voordat ze met de
ontlasting het lichaam
verlaten.
Paragraaf 3: Long en gaswisseling
Kraakbeenringen voorkomen het
dichtklappen van de luchtwegen bij
inademing. De ingeademde lucht
komt in de longblaasjes, de alveoli,
terecht. Zuurstof gaat door diffusie vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed in de haarvaten. Dit heet
gaswisseling. Diffusiesnelheid (van O2 en CO2): het aantal
deeltjes dat per seconde de wand van een longblaasje en het
haarvat passeert. D is 37 graden, A is 70-80 m2 en x is 0,1
micrometer.
Alleen de lucht in alveoli doet mee aan de gaswisseling, zo’n
150ml komt niet zo ver. Het blijft in je luchtwegen hangen en
dat blaas je bij de volgende ademhaling weer uit. Bij een
uitademing blijft ook 150ml in je luchtwegen hangen en bij
de volgende inademing komt dat wel weer in je longblaasjes.
Dit ongebruikte deel van de luchtwegen heet: dode ruimte.