• Ruilen over de tijd: verplaatsen van moment in tijd waarop je geld besteed
o Naar later verplaatsen: sparen
o Naar voren verplaatsen: lenen
• Mediaan: De middelste waarde. Dus van een reeks van getallen is mediaan het
getal in het midden
o Dus in reeks van 11 getallen is 6e getal het mediaan want ervoor zitten 5
getallen en erna ook.
• Rente: vergoeding voor uitlenen van geld
o 1. Vergoeding omdat je geld op dat moment niet kan uitgeven
o 2. Beloning omdat bank geld verdient met je geld
o 3. Vergoeding tegenover inflatie
§ Als je ene jaar 3% inflatie hebt moet je ook 3% rente krijgen als je
er hetzelfde voor wilt blijven kopen.
§ Als inflatie en rente gelijk zijn is koopkracht van spaargeld
hetzelfde.
• Eindantwoord met percentages rond je standaard af op een decimaal.
• Verandering in procent: Verandering / Oude situatie * 100
• Als je rente krijgt over je rente: samengestelde interest.
o Eindwaarde na n perioden = beginwaarde * (1 + i)ˆn
• Relatieve veranderingen: verandering in procenten
• Absolute verandering: verandering in waarde
• Procentpunt: absolute verschil tussen waardes in procenten
• Bij lening moet je deze aflossen (terugbetalen)
o Ook moet je rente betalen over geleende bedrag.
• Banken willen onderpand (zekerheid) bij leningen, voor als mensen niet meer
kunnen betalen
o Bij hypotheeklening: huis is het onderpand
§ Als mensen lening niet meer kunnen betalen mag bank het huis
verkopen.
• Bij lening moet bank checken of je niet te veel leent, dit moet al als je meer dan
250EU leent.
o Dan moeten ze informatie vragen over inkomen/vaste lasten.
o Moeten Bureau Kredietregistratie (BKR) vragen of persoon al lening heeft.
• Mensen kunnen ook persoonlijke lening afsluiten voor dure aankopen
o Wordt terugbetaald in maandelijks vast bedrag, dit bedrag is gebaseerd
op looptijd van lening (Tijd die je hebt om terug te betalen)
• Je kan ook kopen op afbetaling, hier krijg je het product al maar teken je
contract waarin staat dat je over een periode in delen betaald.