• Zakgeld = Geld dat je zonder tegenprestatie krijgt van je ouders.
• Giraal geld = geld op een bankrekening
• Chartaal geld = contant geld (briefjes, munten)
o Zwart geld = betaald werk waarvan de inkomsten niet opgegeven worden
bij de belastingdienst.
• Budgetlijn = geeft alle mogelijke combinaties aan die iemand met zijn inkomen
(budget) kan aanscha?en.
• Nibud = Nationaal Instituut BUDgetvoorlichting. Doet onderzoek naar geldzaken
voor consumenten.
• Begroting = overzicht van alle inkomsten en uitgaven die je verwacht te hebben.
o Kasboek = overzicht van alle uitgaven die je gedurende een periode doet.
o Sluitende begroting = begroting waarbij de geschatte inkomsten gelijk
zijn aan de geschatte uitgaven.
• Huishouden = een persoon of meer samen vormen huishouden als ze
alleen/gezamenlijk economische beslissingen nemen.
o Hebben te maken met 3 soorten uitgaven:
§ Huishoudelijke uitgaven (Dagelijks) = geld voor dingen zoals
boodschappen.
• Deze zijn flexibel.
§ Vaste lasten = regelmatig terugkerende uitgaven = dingen zoals
verzekering
• Deze zijn verplicht
§ Reserveringen = geld opzij leggen voor grotere (onverwachtse)
uitgaven
• Sparen = Het niet uitgeven van een deel van het inkomen.
§ Begroting van een huishouden = overzicht van alle ontvangsten
inclusief een overzicht van alle uitgaven.
• Rijksbegroting = de plannen van de regering, met inkomsten en uitgaven.
o Miljoenennota = algemene toelichting op de rijksbegroting.
o Directe belastingen = wordt geheven over de inkomens van burgers en
bedrijven (Loon, inkomen, vennootschapsbelasting)
o Indirecte belastingen = belastingen op goederen en diensten
§ Belasting op toegevoegde waarde (BTW): belasting op de
toegevoegde waarde of omzetbelasting.
§ Accijns: belasting op producten waarvan de overheid het gebruik
wil laten afremmen.
§ Sociale premies: bedoelt om uitkeringen mee te betalen.