Naam: Melanie Hoeven
Studentnummer: 2575528
Vraag 1:
Beschrijf de verschillen tussen de lage en hoge risicogroep in het onderzoek van Harder
e.a. Wat valt op? (artikel Harder , Knorth & Kalverboer).
Hoge risicogroepen, in de zin dat delinquente jongeren ernstige misdrijven plegen, hangt
samen met een groot aantal risicofactoren. In andere woorden: hoe meer risicofactoren een
persoon heeft, hoe groter de kans dat deze ernstig delinquent gedrag vertoont.
De eerste groep kan beschreven worden als laag risicogroep. Deze groep heeft op
zowel het individuele domein als het contextuele domein een beperkt aantal risicofactoren.
Voor wat betreft het individuele domein geldt dat vooral de risicofactor “beperkte/slechte
behandelmotivatie” een bijdrage levert aan het risico. Een andere factor die binnen dit
domein wordt genoemd is “ongestructureerde dagelijkse activiteiten”. In het contextuele
domein wordt de belangrijkste bijdrage geleverd door de risicofactor “beperkte emotionele
warmte van de moeder”. Daarnaast worden ook “beperkte controle moeder” en
“delinquente vrienden” als risicofactoren genoemd.
De hoge risicogroep heeft in beide domeinen een groot aantal risicofactoren. Enkel
binnen het contextuele domein, en wel op de risicofactor “afgewezen door moeder” wordt
door deze groep niet gescoord. De risicofactoren die door de meeste jongeren binnen de
hoog risicogroep worden genoemd zijn, binnen het individuele domein, “middelengebruik”.
Door zestien van de respondenten (94,1%) vormt dit een risicofactor. Binnen het
contextuele domein is dit de risicofactor “delinquenten vrienden”. Voor alle jongeren (100%)
vormt het hebben van delinquente vrienden een risicofactor.
Wat het meeste opvalt aan de verschillende risicofactoren voor beide groepen is dat
juist de factoren die voor de laagrisicogroep geen, of slechts in zeer beperkte mate, invloed
hebben, voor de hoog risicogroep de belangrijkste risicofactoren vormen. Daarnaast is het
ook opvallen dat de risicofactor “beperkte emotionele warmte van de moeder” voor zowel
lage als hoge risicogroepen ongeveer een even groot risico vormt. Hetzelfde geldt ook voor
de risicofactor “beperkte behandelingsmotivatie”.
Vraag 2:
Beschrijf waarom terugkeer in de samenleving voor gedetineerde jongeren zo moeilijk
is (artikel Lambie & Randell).
Onderzoek laat voor wat betreft de recidive een tegenstrijdig beeld zien. Zo komt uit het ene
onderzoek naar voren dat jongeren die lang vast hebben gezeten (in een instelling voor
volwassenen) vaker recidiveren. Terwijl ander onderzoek juist aantoont dat jongeren die
helemaal niet hebben vastgezeten, of voor een korte periode, vaker recidiveren. Ook komt
uit onderzoek naar voren dat jongeren die onder een hoger beveiligingsniveau komen te
staan dan nodig is, vaker recidiveren. Bestaande literatuur over de gevolgen van opsluiting in
termen van recidive zijn gemixt. Desondanks ondersteund een groot deel van de literatuur
het idee dat opsluiting geen of een negatief effectief heeft op het later plegen van misdaden.
Gedurende de periode van insluiting raken verder verwijderd van pro sociale
betrokkenheid met de maatschappij. Dit beperkt hun mogelijkheden om crimineel gedrag te
ontgroeien, “age out”. Op deze manier heeft insluiting dus een negatief effect op het