Opdracht 5
Jeugdtrauma en schizofrenie
Het ontstaan van een psychische stoornis kan in bijna geen enkel geval door slechts één
oorzaak verklaard worden. Vaak dragen meerdere factoren bij aan de ontwikkeling van een
bepaald mentaal ziektebeeld. Genetische aanleg, omgeving, cultuur en opvoeding zijn hier
voorbeelden van (Rutter et al, 1997). In de casus van dhr. Doorenbosch komt naar voren dat
de familiesituatie van de cliënt niet geheel harmonisch is. Uit de gezinsgesprekken komt naar
voren dat voornamelijk de vader een sterk dominante rol heeft binnen het gezin. Vader legt
gedurende de cliënt zijn jeugd veel druk op hem om te presteren en schroomde niet om af en
toe met fysiek geweld te bestraffen. Het gehele gezin lijkt erg veel moeite te hebben om zich
met de cliënt, en zijn problematiek, in te leven wat voor veel psychosociale spanningen zorgt.
In het volgende artikel wordt dieper ingegaan op de rol van jeugdtrauma in de ontwikkeling
van een psychotische stoornis en chronische schizofrenie.
Grootschalig populatie onderzoek heeft uitgewezen dat de ontwikkeling van een
psychotische stoornis veelal samenhangt met een jeugdtrauma (Schäfer & Fisher, 2011).
Onder een jeugdtrauma valt psychologisch, fysiek, emotioneel of seksueel misbruik of
emotionele verwaarlozing voor het 17e levensjaar (Bernstein et al., 2003). Andere stressvolle
situaties zoals het overlijden- of scheiden van ouders en een pestverleden kunnen tevens
bijdragen aan de ontwikkeling van psychopathologie (Schreier, Wolke & Thomas, 2009). In
cliëntgroepen met psychotische klachten wordt vaker een ontwikkeling met daarin een
jeugdtrauma gerapporteerd dan bij cliëntgroepen zonder psychotische klachten (Kraan et al,
2015). Er lijkt voornamelijk een verband te zijn met de ontwikkeling van positieve
symptomen en traumatische ervaringen. In een onderzoek van Whitfield (2005) kwam naar
voren dat individuen met 7 of meer traumatische ervaringen in de kindertijd, 5x vaker het
hallucinaties rapporteerden dan individuen zonder traumatische ervaringen. In een
grootschalig kwalitatief onderzoek van Kelleher (2008 kwam in interviews naar voren dat 12
en 15 jarige die minstens één psychotische episode hadden gehad, vaker slachtoffer waren
geweest van seksuele mishandeling, fysieke mishandeling of pesterijen dan jeugdigen zonder
een psychotische episode. Tevens is uit onderzoek gebleken dat binnen de patiëntengroep met
schizofrenie patiënten met een seksueel trauma in de jeugd in de volwassenheid slechter
psychosociaal functioneren dan patiënten zonder trauma.
Een verklaring voor dit verband kan zijn dat het trauma zorgt voor een negatief zelfbeeld, en
een negatief affect en dat deze factoren een persoon gevoeliger maken voor psychotische
symptomen en schizofrenie. Tevens zijn er biologische verklaringen voor dit verband. Het
ervaren van veel stressvolle situaties in de jeugd kan zorgen voor een disregulatie van het
hormoon cortisol wat men overgevoelig kan maken voor stress (Schäfer & Fisher, 2011). Zo
kunnen ook kleinere dagelijkse stressoren en beslommeringen psychotische symptomen
teweeg brengen en verergeren (van den Driessche et al, 2010). John Read stelt hiervoor in zijn
onderzoek het ‘traumagenic neurodevelopmental’ (TN) model voor schizofrenie voor die een
connectie legt tussen de effecten van traumatische gebeurtenissen op het ontwikkelende brein
en biologische abnormaliteiten zoals: dopamine, norepinephrine, en serotonine
abnormaliteiten, schade aan de hypocampus, cerebrale atrofie, ventriculaire vergrotingen, en
cerebrale asymmetrie (Read, Perry, Moskowitz & Connolly, 2001). De meest recente
diathese-stress model voor schizofrenie stelt echter voor dat een genetische deficiëntie een
overgevoeligheid voor stress kan veroorzaken (Jones & Fernyhough, 2006). Er kan gesteld
worden dat niet alleen de traumatische gebeurtenis maar daar bovenop ook een genetische
gevoeligheid de kans op schizofrenie in de volwassenheid sterk vergroten.
1
, Conclusie
Het is van groot belang dat cliënten met psychotische klachten gescreend worden op
jeugdtrauma zodat hier in therapie gericht op in gegaan kan worden. Tevens is het belangrijk
om ter preventie jeugdigen uit problematische gezinssituaties sneller in zorg te nemen om de
ontwikkeling van psychotische klachten te voorkomen (Larkin & Read, 2008). In de casus
van dhr. Doorenbosch is er mogelijk sprake van emotionele en fysieke verwaarlozing
waardoor er mogelijk deficiënties zijn ontstaan in het stress systeem van de cliënt. Familie
interventie programma’s, gericht op de verbetering van de copingstijlen van de naasten
familieleden met de klachten van patiënten, hebben in onderzoek een positief effect laten zien
op het verloop van schizofrenie (Bellack & Mueser, 1993) Tevens zou cognitieve
gedragspsychotherapie (CBT) speciaal voor schizofrenie mogelijk ingezet kunnen worden om
zowel de trauma’s uit het verleden te verwerken en om strategieën te ontwikkelen om
effectiever met de klachten om te leren gaan (Dickerson, 2000).
Culturele benadering van schizofrenie
Cultuur is een zeer breed begrip. Over het algemeen omvat cultuur de gewoonten en
gebruiken van een bevolkingsgroep. Hieronder vallen verschillende aspecten zoals: normen
en waarden, godsdienst, voeding en eetgewoontes, kleding, muziek en dans.
Cultuur heeft op verschillende manieren invloed op het toestandsbeeld schizofrenie. Zo
beïnvloedt cultuur bijvoorbeeld de mate van inzicht van de patiënt in zijn eigen
toestandsbeeld (Kirmayer, 1992). Daarnaast heeft cultuur invloed op de betekenis die een
patiënt met schizofrenie aan zijn psychosen en wanen geeft (Larsen, 2004). Ook heeft cultuur
invloed op de manier hoe naasten reageren op iemand met schizofrenie (Prabhu, Raghuram,
Verma & Maridass, 1984).
In het onderstaande onderdeel wordt de situatie van dhr. Doorenbosch naast verschillende
culturele aspecten gelegd. Dit wordt gedaan door stil te staan bij de visie op psychoses vanuit
de cliënt zelf en de naasten, visie op psychose vanuit een religieus standpunt en als laatste de
visie op psychoses vanuit de Indiaanse cultuur. Afsluitend wordt op basis van deze informatie
een conclusie opgesteld hoe deze opgedane informatie kan helpen bij de omgang met dhr.
Doorenbosch.
De visie op psychose vanuit het zelf en de naasten
Binnen de Westerse cultuur heerst de gedachte dat psychoses pathologisch zijn. De
symptomen van schizofrenie zijn ondergebracht in de DSM-V en zijn gebaseerd op de
assumptie dat ‘het zelf’ een uniek wezen is dat creëert, uitlegt en verantwoording neemt voor
zijn acties (Landrine, 1992). Iemand is dus zelf volledig verantwoordelijk voor zijn acties en
er is geen sprake van hogere krachten van buitenaf. Volgens deze theorie kunnen patiënten
met schizofrenie geen verantwoordelijkheid nemen voor het voorzien in eigen behoeftes
waardoor een ziektebeeld ontstaat (Azounce, 1995).
In andere culturen wordt het zelf niet alleen bepaald door innerlijke aspecten maar ook
door omgevingsfactoren. Een voorbeeld hiervan is dat gedachten, gevoelens of gedrag
beïnvloedt kunnen worden door de omgeving of krachten van buitenaf, al dan niet
bovennatuurlijk; zoals bezeten worden door een geest (Azounce, 1995). Dit beeld van het zelf
heeft invloed op de manier hoe een persoon betekenis geeft aan de psychose. Zo stellen
Rogler en Hollinshead (1961) dat voor mensen die in geesten geloven, hallucinaties niet
gezien worden als onderdeel van een psychose. Zij zien de hallucinaties alsof ze onderdeel
zijn van een zesde zintuig dat hun verbindt met de spirituele wereld. Ook kan er op een meer
2