Moduledoel:
- Je legt de anatomie en fysiologie van het zenuwstelsel uit.
- Je legt de ontwikkeling van de hersenen uit en beschrijft het verschil tussen nature en
nurture.
Anatomie zenuwstelsel
Ruggenmerg: deze speelt een rol bij reflexen, en daarnaast bij het doorgeven van
signalen van en naar de hersenen. Bij een reflex word een impuls gelijk in het
ruggenmerg omgezet in een motorische prikkel, ook gaat er een prikkel naar je hersenen
hierdoor wordt je later pas bewust van de actie.
- Grijze stof: bestaat vooral uit zenuwcellen.
- Witte stof: zenuwuitlopers.
Een zenuwcel bestaat uit een
dendriet, met daaraan een axon. De
dendriet heeft een celkern, en ziet er
uit als een spin. Daaraan heb je de
axon waar omheen cellen van
Schwan (myeline schede) en de
insnoeringen van Ranvier.
Afferente zenuw: aanvoerend vanuit de omgeving naar hersenschors.
Neuroglya:
Microglia: ruimen dode cellen.
Astrocyten: voeren voeddingsstoffen aan neuronene, onderhouden hun
extracellilaire omgeving en bieden ondersteuning.
Oligodendrocyt: maken myeline.
Cortexen, vliezen en liquor van de hersenen
De hersenen bestaan uit drie onderdelen:
Grote hersenen: de buitenste laag onder de schedel is de hersenschors, deze zorg
ervoor dat mensen ingewikkelde vaardigheden kunnen leren.
Cerebellum (kleine hersenen): ze coördineren bewegingen en spelen een rol bij de
automatische handelingen (evenwicht bewaren en inschatten tijdsverloop) en
cognitieve processen (waarnemingen omzetten in informatie). Wanneer er een
beschadiging is lijkt iemand dronken.
Hersenstam (truncus cerebri): belangrijk bij het aansturen van volautomatische
handelingen, zoals hartslag, ademhaling, bloeddruk en pupilreflex, enz.
o Verlengde merg (medulla oblongata)
o Pons
o Middenhersenen (mesencephalon)