Aantekeningen verbintenissenrecht
12-11 week 1:
het vermogensrecht
goederenrecht vs. verbintenissenrecht (hoofdlijnen):
- derdenwerking/absoluut recht vs. relatief recht
- handhaafbaar tov ieder/wederpartij
- derdenrecht vs. tweederecht
- gesloten systeem van rechten (dat wat in BW staat) vs. open systeem van
rechten(men kan rechten en plichten maken)
- dwingend recht vs. regelend recht
- rechtszekerheid (heldere begrippen) vs. flexibiliteit (open normen)
Klopt dit alles wel? Nee, dit is (ook) onzin
VB: Koop breekt geen huur(je huurt een kamer, pand wordt verkocht) (zie art. 7:226;
CHECK je WETBOEK): is een geval van derdenwerking via dwingend verbintenissenrecht,
waarbij partijafspraak niet geldend is (gesloten systeem)
Ander vb: Kwalitatieve rechten en plichten (artt. 6:251-252 BW)
Wat nu? Wees kritisch tav stellige beweringen (en hoofdregels); de juridische werkelijkheid
is meestal genuanceerder…
het verbintenissenrecht
verbintenissenrecht = dat deel van het objectieve (geldende) recht dat de verbintenissen
regelt
- zie boek 6, 7, 8 BW
karakteristiek aan het Verbintenissenrecht is dat het uiteindelijk gaat om de verdeling van
bepaalde (financiële) risico’s.
- algemene les: verbintenissenrecht=risicoverdeling
en immateriële belangen dan? Zo'n belang verdedigen is erg lastig, vb: jongetje
verdrinkt, moeder wil goed verwerken en wil schuldvraag laten oplossen → niet
ontvankelijk bij de rechter want emotioneel en niet vermogend
Wat is een verbintenis
= Vermogensrechtelijke rechtsbetrekking, waarbij de één recht heeft op de prestatie van een
ander, en die ander tot die prestatie jegens de één verplicht is
Let op: verbintenis betekent: de juridische relatie (de rechtsbetrekking) tussen
(rechts)personen.
De verbintenis houdt dus in:
1) een verplichting tot een prestatie voor de één
2) en het recht op die prestatie van de ander.
Twee zijden aan dezelfde verbintenis
actieve zijde (schuldeiser):
- vordering(srecht)
- rechtsvordering/actie (3:296 BW)
, - executierecht
passieve zijde (schuldenaar):
- schuld
- aansprakelijk
- uitwinbaarheid/draagplichtig
Bronnen van verbintenissen
‘Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit’
- Zie art. 6:1 BW
Algemene bronnen van verbintenissen zijn onder andere (!):
- Obligatoire(verbintenisscheppend) overeenkomst (art. 6:213 BW)
- Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)
- Zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW)
- Onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v.)
- Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW)
Maar er is meer…
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit’, art. 6:1 BW
Dus: we kennen een ‘beperkt open stelsel’ van bronnen, sinds HR Quint/te Poel (zie hierna)
Er zijn 3 opties voor het ontstaan van een verbintenis:
1) Indien dit expliciet (met zoveel woorden) in de wet staat.
- Zie bijv. het opschrift van Titel 6.4 BW: ‘Verbintenissen uit andere bron dan
onrechtmatige daad of overeenkomst”
- Zie bijv. ook nog art. 6:3 lid 2 BW (natuurlijke verbintenis)
2) Indirect: de wet benoemt de ‘redelijkheid en billijkheid’ (of: ‘ongeschreven recht’) als bron,
waarna dááruit dan de verbintenis ontstaat.
- Zie art. 6:2 en art. 6:248 BW
3) Buiten 1) en 2) om: indien het ontstaan van de verbintenis “past in het systeem van de
wet en aansluit bij wél in de wet geregelde gevallen”
- Zie Quint/Te Poel (HR 30 januari 1959, NJ 1959/548)
- Casus? Wie?
- Wat is er bijzonder aan deze zaak?
- Eind goed, al goed?
- Kortom: ‘The good don’t always win’ (L. Reed)
De natuurlijke verbintenis
Is in rechte niet-afdwingbaar (art 6:3 BW), waar normaal art. 3:296 BW geldt
= vorderingsrecht zonder rechtsvordering; schuld zonder aansprakelijkheid
Wanneer is er een natuurlijke verbintenis?
- Op grond van wet (Vb: art. 7A:1825 / art. 3:306 e.v.) of rechtshandeling (afspraak)
- Of dringende morele verplichting: zie arrest Goudse Bouwmeester (1926)
- Subjectief en objectief zo gevoeld
Rechtsgevolgen (art. 6:4 BW)?
- Vrijwillige nakoming? Er is een rechtsgrond is geen onverschuldigde betaling (art.
, 6:203 BW), is geen gift
- Omzetten in gewone schuld is eenvoudig (art. 6:5 BW)
- Geen verrekening, opschorting, retentierecht...
De rechtshandeling
De rechtshandeling (Rh) vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een
verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW).
- rechtsgevolg = het ontstaan, het wijzigen, of het teniet gaan van een juridische relatie
- ≠ Feitelijke handeling, zoals onrechtmatig handelen
Onderscheid: Meerzijdige of Eenzijdige Rh
Eenzijdige Rh = gericht of ongericht
- Onderscheid = vernietigbaar of nietig (art. 3::34 BW)
Overige elementen (zie ook het schema op de laatste slide):
- Rechtsfeiten = blote rechtsfeiten of handelingen/gedragingen
- Gedragingen = rechtshandelingen of feitelijke of andere handelingen (OD en RD)
zie schema rechtsfeiten dia 22 week 1
19-11 week 2:
De rechtshandeling vooraf
- Wat was dat ook weer?
-Zie week 1: een rechtshandeling (Rh) vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard
- Noodzakelijk is de bekwaamheid om rechtshandeling te verrichten
-Zie art. 3: 32 lid 1 BW
-Wat betekent dat precies? Wat is nodig? Waar vind je dat? Analyseer de wetteksten
De totstandkoming van een rechtshandeling
- Eis (art. 3:33 BW) = wil en verklaring moeten overeenstemmen
- Overeenstemming ontbreekt in gevallen ‘oneigenlijke dwaling’ (=> geen Rh)
- NB: juristen zijn vooral geïnteresseerd in die gevallen waarin dingen mis gaan…
- VB = misverstand, zie HR Bunde/Erckens (NJ 1977/241)
- Tenzij er een uitzondering geldt… z.o.z.
-
De rechtshandeling (vervolg)
- Uitzondering = beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van wederpartij honoreren
- I.v.m. normaal, goedlopend rechtsverkeer
- Zie art. 3:35 BW : ‘redelijkerwijze’
- Is ’afhankelijk van de omstandigheden van het geval’
- NB: dat is altijd een goed antwoord,behalve op tentamen…
- Vervolg: is beroep op vertrouwen in met redelijkheid en billijkheid (R&B)?
- Onderzoeksplicht!? reikwijdte daarvan?
- Zie art. 3:11 BW en bijv. HR eelman/Hin (NJ 1960, 230)
12-11 week 1:
het vermogensrecht
goederenrecht vs. verbintenissenrecht (hoofdlijnen):
- derdenwerking/absoluut recht vs. relatief recht
- handhaafbaar tov ieder/wederpartij
- derdenrecht vs. tweederecht
- gesloten systeem van rechten (dat wat in BW staat) vs. open systeem van
rechten(men kan rechten en plichten maken)
- dwingend recht vs. regelend recht
- rechtszekerheid (heldere begrippen) vs. flexibiliteit (open normen)
Klopt dit alles wel? Nee, dit is (ook) onzin
VB: Koop breekt geen huur(je huurt een kamer, pand wordt verkocht) (zie art. 7:226;
CHECK je WETBOEK): is een geval van derdenwerking via dwingend verbintenissenrecht,
waarbij partijafspraak niet geldend is (gesloten systeem)
Ander vb: Kwalitatieve rechten en plichten (artt. 6:251-252 BW)
Wat nu? Wees kritisch tav stellige beweringen (en hoofdregels); de juridische werkelijkheid
is meestal genuanceerder…
het verbintenissenrecht
verbintenissenrecht = dat deel van het objectieve (geldende) recht dat de verbintenissen
regelt
- zie boek 6, 7, 8 BW
karakteristiek aan het Verbintenissenrecht is dat het uiteindelijk gaat om de verdeling van
bepaalde (financiële) risico’s.
- algemene les: verbintenissenrecht=risicoverdeling
en immateriële belangen dan? Zo'n belang verdedigen is erg lastig, vb: jongetje
verdrinkt, moeder wil goed verwerken en wil schuldvraag laten oplossen → niet
ontvankelijk bij de rechter want emotioneel en niet vermogend
Wat is een verbintenis
= Vermogensrechtelijke rechtsbetrekking, waarbij de één recht heeft op de prestatie van een
ander, en die ander tot die prestatie jegens de één verplicht is
Let op: verbintenis betekent: de juridische relatie (de rechtsbetrekking) tussen
(rechts)personen.
De verbintenis houdt dus in:
1) een verplichting tot een prestatie voor de één
2) en het recht op die prestatie van de ander.
Twee zijden aan dezelfde verbintenis
actieve zijde (schuldeiser):
- vordering(srecht)
- rechtsvordering/actie (3:296 BW)
, - executierecht
passieve zijde (schuldenaar):
- schuld
- aansprakelijk
- uitwinbaarheid/draagplichtig
Bronnen van verbintenissen
‘Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit’
- Zie art. 6:1 BW
Algemene bronnen van verbintenissen zijn onder andere (!):
- Obligatoire(verbintenisscheppend) overeenkomst (art. 6:213 BW)
- Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)
- Zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW)
- Onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v.)
- Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW)
Maar er is meer…
Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit’, art. 6:1 BW
Dus: we kennen een ‘beperkt open stelsel’ van bronnen, sinds HR Quint/te Poel (zie hierna)
Er zijn 3 opties voor het ontstaan van een verbintenis:
1) Indien dit expliciet (met zoveel woorden) in de wet staat.
- Zie bijv. het opschrift van Titel 6.4 BW: ‘Verbintenissen uit andere bron dan
onrechtmatige daad of overeenkomst”
- Zie bijv. ook nog art. 6:3 lid 2 BW (natuurlijke verbintenis)
2) Indirect: de wet benoemt de ‘redelijkheid en billijkheid’ (of: ‘ongeschreven recht’) als bron,
waarna dááruit dan de verbintenis ontstaat.
- Zie art. 6:2 en art. 6:248 BW
3) Buiten 1) en 2) om: indien het ontstaan van de verbintenis “past in het systeem van de
wet en aansluit bij wél in de wet geregelde gevallen”
- Zie Quint/Te Poel (HR 30 januari 1959, NJ 1959/548)
- Casus? Wie?
- Wat is er bijzonder aan deze zaak?
- Eind goed, al goed?
- Kortom: ‘The good don’t always win’ (L. Reed)
De natuurlijke verbintenis
Is in rechte niet-afdwingbaar (art 6:3 BW), waar normaal art. 3:296 BW geldt
= vorderingsrecht zonder rechtsvordering; schuld zonder aansprakelijkheid
Wanneer is er een natuurlijke verbintenis?
- Op grond van wet (Vb: art. 7A:1825 / art. 3:306 e.v.) of rechtshandeling (afspraak)
- Of dringende morele verplichting: zie arrest Goudse Bouwmeester (1926)
- Subjectief en objectief zo gevoeld
Rechtsgevolgen (art. 6:4 BW)?
- Vrijwillige nakoming? Er is een rechtsgrond is geen onverschuldigde betaling (art.
, 6:203 BW), is geen gift
- Omzetten in gewone schuld is eenvoudig (art. 6:5 BW)
- Geen verrekening, opschorting, retentierecht...
De rechtshandeling
De rechtshandeling (Rh) vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een
verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW).
- rechtsgevolg = het ontstaan, het wijzigen, of het teniet gaan van een juridische relatie
- ≠ Feitelijke handeling, zoals onrechtmatig handelen
Onderscheid: Meerzijdige of Eenzijdige Rh
Eenzijdige Rh = gericht of ongericht
- Onderscheid = vernietigbaar of nietig (art. 3::34 BW)
Overige elementen (zie ook het schema op de laatste slide):
- Rechtsfeiten = blote rechtsfeiten of handelingen/gedragingen
- Gedragingen = rechtshandelingen of feitelijke of andere handelingen (OD en RD)
zie schema rechtsfeiten dia 22 week 1
19-11 week 2:
De rechtshandeling vooraf
- Wat was dat ook weer?
-Zie week 1: een rechtshandeling (Rh) vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard
- Noodzakelijk is de bekwaamheid om rechtshandeling te verrichten
-Zie art. 3: 32 lid 1 BW
-Wat betekent dat precies? Wat is nodig? Waar vind je dat? Analyseer de wetteksten
De totstandkoming van een rechtshandeling
- Eis (art. 3:33 BW) = wil en verklaring moeten overeenstemmen
- Overeenstemming ontbreekt in gevallen ‘oneigenlijke dwaling’ (=> geen Rh)
- NB: juristen zijn vooral geïnteresseerd in die gevallen waarin dingen mis gaan…
- VB = misverstand, zie HR Bunde/Erckens (NJ 1977/241)
- Tenzij er een uitzondering geldt… z.o.z.
-
De rechtshandeling (vervolg)
- Uitzondering = beroep op gerechtvaardigd vertrouwen van wederpartij honoreren
- I.v.m. normaal, goedlopend rechtsverkeer
- Zie art. 3:35 BW : ‘redelijkerwijze’
- Is ’afhankelijk van de omstandigheden van het geval’
- NB: dat is altijd een goed antwoord,behalve op tentamen…
- Vervolg: is beroep op vertrouwen in met redelijkheid en billijkheid (R&B)?
- Onderzoeksplicht!? reikwijdte daarvan?
- Zie art. 3:11 BW en bijv. HR eelman/Hin (NJ 1960, 230)