Ziekteleer Stofwisseling en Endocriene organen
6.1 Inleiding
De endocriene organen die aan de orde komen zijn de hypofyse, bijnierschors, schildklier,
bijschildklier en de endocriene pancreas. Stofwisselingsziekten hebben betrekking op stoornissen in
de glucose- en vetstofwisseling en in de elektrolyten huishouding. Onder stofwisselingsziekten wordt
verstoring van de homeostase, met daarbij een gestoorde productie of verdwijning van bepaalde
biologische substantie, gezien.
De meeste voorbeelden van stofwisselingsziekten zijn erfelijk en af en toe een met voeding
samenhangende stoornis. Enkele stofwisselingsziekten worden veroorzaakt door of gezien worden
als aandoeningen van endocriene organen.
De endocrienologie is de leer van de communicatie en controle in een leven organisme door middel
van chemische boodschappers uit dat organisme. Er bestaat paracriene communicatie tussen 2 nabij
gelegen cellen of autocriene communicatie waarbij de cel zichzelf beïnvloedt. Soms doet een stof
beiden.
De chemische boodschappers in de endocrinologie zijn de hormonen en endocriene aandoeningen
zijn vaak gekenmerkt door een tekort of overmaat aan hormonen.
6.2 Stoornissen in de glucose- en vetstofwisseling
6.2.1 Hypoglykemie
In de pancreas zitten de eilandjes van Langerhans die een endocriene functie hebben. In de eilandjes
vind je de beta-cellen (vooral) die insuline produceren en de alfa-cellen die glucagon produceren.
Daarnaast zijn er nog cellen die somatostatine en gastrine vormen. Bij een dreigend tekort aan
glucose worden eerst de glycogeenvoorraden in de lever aangesproken door de lage I/G-ratio. Deze
voorraden zijn na 1-2 dagen uitgeput zijn waarna de gluconeogenese het over zal nemen met lactaat
en pyruvaat, aminozuren en glycerol als substraten. Wanneer de mechanismen tekortschieten kan er
een hypoglykemie (verlaagde glucoseconcentratie in het bloed) ontstaan. Hypoglykemie komt voor in
2 vormen:
o Aanbodhypoglykemie als gevolg van een verminderde beschikbaarheid van glucose.
o Vraaghypoglykemie die is gekenmerkt door een verhoogd verbruik van glucose.
Aanbodhypoglykemie
Een gevolg van een afname van de gluconeogenese bij bijvoorbeeld leveraandoeningen en bij een
tekort aan glucocorticoïden. Het doet zich vooral voor bij jonge dieren die onvoldoende moedermelk
tot zich kunnen nemen. Jonge dieren hebben een relatief hoog glucoseverbruik en beperkte
glycogeenvoorraden. Lage glucoseconcentraties leiden tot de combi van een tekort aan insuline en
overmaat aan glucagon. Dit zorgt ervoor dat de glycogeenafbraak, gluconeogenese en ketogenese
worden gestimuleerd. Door de glycogeendepletie is de lever van jonge dieren klein en donker van
kleur. Het beeld verschilt van spierzwakte en atactische gang tot collaberen of aanvallen. Als de
aandoening gepaard gaat met hypothermie zijn verschijnselen vaak gedempt en bij ketose zien je
meer lethargie of coma.
Hypothermie bij pasgeboren lammeren
Onder hypothermie verstaan we een te lage lichaamstemperatuur. Het verloopt progressief en gaat
gepaard met afname van alle lichaamsfuncties. De ooi zorgt voor het drooglikken van de en
beschutten van het lam. Immaturiteit, met een laag lichaamsgewicht, is een predisponerende factor.
1