Niet-specifieke immuniteit:
1. Fysieke barrières
- Huid, haar, klierproducten
2. Fagocyten
- Witte bloedcellen verteren cel resten en ziekteverwekkers
3. Immunologische surveillance
- Vernietigen abnormale cellen door natural killercellen (NK-cellen). Deze NK-cellen
geven periferonen (eiwitten) af die gaatjes maken in het celmembraan en zo
doodgaan.
4. Interferonen
- Chemische boodschappers die de verdediging tegen virale infecties coördineren.
- Interferonen worden afgegeven door de geactiveerde lymfocyten, macrofagen of met
virussen geïnfecteerde cellen.
5. Koorts
- Hoger temperatuur zorgt voor het remmen van pathogenen en versnelling van
stofwisselingssnelheid.
- Door versnelling van stofwisseling worden er sneller imuuncellen geproduceerd.
- Hypothalamus die reguleert lichaamstemperatuur door middel van pyrogenen.
- Wanneer er veel pyrogenen zijn verhoogd het de lichaamstemperatuur.
- Ziekteverwekkers kunnen dan voor doen als pyrogenen en stijgt de
lichaamstemperatuur.
6. Ontstekingsreactie
- Gecoördineerde niet-specifieke reactie op weefselbeschadiging. Mestcellen worden
dan afgegeven.
- Bloedtoevoer neemt door de mestcellen toe, schermt het gebied af, plaatselijke
temperatuurverhoging etc.
,Specifieke-immuniteit:
Lymfocyten bij specifieke-immuniteit:
T-cellen (uit de Thymus)
B-cellen (uit het Beenmerg)
Specifieke-immuniteit kan je verdelen in twee categorieën:
1. Cellulaire immuniteit (T-cellen) (directe fysische en chemische aanval)
2. Antistof gemedieerde immuniteit (B-cellen) (aanval door antistoffen in bloed)
Cellulaire immuniteit:
Stap 1: Herkennen en activering
1. Viraal of bacterieel antigeen kan in de cel door het MHC-eiwit groep 1.
2. Inactieve T-cel kan met de receptor het eiwit antigeen complex herkennen. Zo
wordt de T-cel geactiveerd.
Stap 2: Celdeling en differentiering
- T-cellen vermenigvuldigen zich en maken ook T-geheugencellen (inactief) voor de
volgende keer. Hierdoor word je bij de volgende keer minder ziek.
Stap 3: Vernietiging van de doelcel
1. Verstoring stofwisseling cel afgifte lymfotoxine
2. Stimulering van apoptose afgifte cytokine
3. Vernietiging van celmembraan afgifte perforine
Antistof gemedieerde immuniteit/humorale immuniteit:
Stap 1: Sensibilisering B-cellen
- Antigeen kan op antistoffen binden (B-cel)
- Antigeen bindt daarna op MHC-eiwit groep 2 en komt dan zo in het oppervlak.
Hierdoor worden de B-cellen gesensibiliseerd.
,Stap 2: Activering
- Wanneer de gesensibiliseerde B-cel bindt met het T-helpercel (T-celreceptor bindt
aan MHC-groep 2) wordt de B-cel geactiveerd.
Stap 3: Deling en differentiatie vorming antistoffen
- B-geheugencellen (inactief) gemaakt
1. Geactiveerde B-cellen worden plasmacellen
2. Plasmacellen kunnen antistoffen maken
Bacterie:
Prokaryoot = bacterie (simpele bouw, geen celkern en DNA ligt los in de cel)
Eukaryoot = protoctista, planten, schimmels en dieren (hebben wel een celkern)
Flagellum = staart, zodat de bacterie kan bewegen
Classificatie bacteriën:
- De celwand bestaat uit de stof peptidoglycaan (alleen bacteriën)
Wand gramnegatief bacterie: smal, de kleur roze, de vorm is staafvormig/spiraal
Wand grampositief bacterie: dik, de kleur donkerpaars, de vorm is bolvormig/coccen
Zuurstofbehoefte:
Aerobe bacterie: zuurstof nodig om te overleven
Anaerobe bacterie: geen zuurstof nodig
Virulentie = de mate het micro-organisme schade kan brengen aan de gastheercel
Wat bepaalt de virulentie?
Effectiviteit afweersysteem mens
Gezondheidstoestand mens
Aantal pathogenen
Agressiviteit pathogeen
, Bij een bacteriële infectie:
1. Uitzieken
2. Behandelen met antibiotica
Allergische respons
Allergie: schadelijke reactie van het immuunsysteem tegen een onschadelijke stof
(allergeen) uit de buitenwereld
- Allergische reactie hoort bij antistof gemedieerde immuniteit
- De antistoffen die door de plasmacellen bij allergie worden gemaakt heten altijd IgE.
- IgE gaat op een mestcel zitten (als een receptor)
- Bij de tweede blootstelling, gaat het allergeen op de IgE-receptor staan. Hierdoor laat
de mestcel schadelijke stoffen vrij, zoals histamine.
- Als het histamine zich in het lichaam bindt aan andere histamine-receptoren vindt er
een allergische reactie plaats.
- Ook zit er in de mestcel, serotonine en prostaglandinen (ontstekingsmediatoren) die
ook worden gedegranuleerd, maar de belangrijkste bij allergie is histamine.
Effecten histamine:
1. Doorlaatbaarheid capillairen stijgt: lokaal oedeem (vocht ophoping in de weefsels)
2. Samentrekken glad spierweefsel in maagdarmkanaal: overgeven, diarree,
buikklachten
3. Meer uitscheiding van slijm (loopneus, benauwdheid door slijmvorming in de keel).