inleiding handboek jeugdhulpverlening
problematische opvoedingssituaties zijn ecologisch en interactioneel
- intern; opvoeder ziet de ontwikkeling als problematisch, het resulteert niet in
het bereiken van gewenste opvoedingsdoelen
- extern; een belangrijke buitenstaander (bijv, politieagent of leerkracht) ziet de
ontwikkeling van een kind als problematisch en vind deze ongewenst resultaten
een gevolg van bepaald opvoedgedrag van de ouders.
- oorzaken; opvoeding ouders (primair), kenmerken van het kind, de ouder of de
maatschappij (secundair) of een interactie van beide
-Orthopedagogiek is een handelingswetenschap: op basis van een grondige en
systematische wetenschappelijk gefundeerde diagnostische beeldvorming van
de problemen en de context, worden op een planmatige wijze acties
ondernomen, met een duidelijke specificatie van doelstellingen, strategieën en
evaluatiewijzen.
-Daarbij wordt gewerkt vanuit een holistische visie: door interventies trachten bij
te dragen aan de ontwikkelings- en ontplooiingskansen en de kwaliteit van leven,
zowel van het individu in alle aspecten van haar functioneren als van haar
context.
1.2
kinderen met gedrags- en emotionele problemen: alle kinderen die zich zichtbaar
ongewoon of abnormaal gedragen of ongewone en abnormale emoties vertonen
en dat afgezien van de ernst de oorzaak of de context van het gedrag of de
emotie.
onderscheid;
- lichte / tijdelijke problemen
- gedragingen bij bepaalde situaties/personen
- gedragingen die leeftijds/fase gebonden zijn
- ernstige problemen (oppositioneel opstandig gedrag,
aandachtstekort/stemming stoornissen)
- ernstige problemen: langdurig/blijvend, combinatie met andere problemen,
ernstig lijden tot gevolg bij kind en/of directe omgeving
alvorens een gedrag problematisch te benoemen dient men rekening te houden
met het ontwikkelingsperspectief, de continuümgedachte (verschil maken tussen
normale en problematisch gedragingen dmv intensiteit, frequente en duur), de
context en de informant (de beoordelaar)
1.3
classificatie; systematisch ordenen en groeperen van gedragsproblemen op
basis van gelijke eigenschappen en onderlinge relaties. (= niet diagnose, die
zoomt in op individuele problematiek)
classificatiesystemen;
- klinisch psychiatrisch; psychiatrische stoornissen zijn onafhankelijke en
duidelijk afgelijnde ziekte-entiteiten
,bekende systemen; DSM en ICD (beschrijven problematieken en classificeren in
stoorniscategorieën) Systemen geven overzicht van alle erkende klinische
geestelijke gezondheidszorgstoornissen en andere aandoeningen. Deze worden
beschreven in termen van cognitie, emotieregulatie en gedrag. (gevolg = lijden
persoon/omgeving, disfunctioneren)
ICD heeft aanvulling ICF voor functioneren personen met aandoening als gevolg
van uitwisseling tussen persoons en omgevingsgebonden kenmerken
criteria; kernsymptomen, duur / aanvang symptomen, mate van verstoring dmv
symptomen
kritiek op systemen; alles of niets karakter (gedecontextualiseerd gebruik, te
veel gekeken vanuit medisch model) niet duidelijk voor andere culturen
(westerse concepten)
- empirisch-statistisch classificatiesysteem ; steunen op multivariate analyses op
gegevens verzameld uit grote steekproeven met kinderen (meestal uit
gedragsvragenlijsten (CBCL, TRF, YSR), hierin worden probleemgedragingen
beoordeeld door ouders, leerkrachten en jongeren) de uitgevonden uitkomsten
zijn verdeeld in syndroomschalen voor een globale indruk van de problematiek.
syndroomschalen; teruggetrokken/depressief, lichamelijke klachten,
angstig/depressief, sociale problemen, denkproblemen, aandachtsproblemen,
normafwijkend gedrag en agressief gedrag. (eerste drie ziijn internaliserend en
de laatste twee externaliserend)
ASEBA systeem is dimensionaal, en genormeerd. Vanaf een bepaalde score is er
sprake van een ernstig afwijkend probleem.
kritiek; dimensionele karakter en de comorbiditeit tussen syndroomschalen leidt
tot minder scherpe diagnosestelling
1.4
epidemiologie; studie naar prevalentie en verspreiding van ziekte of toestand en
factoren die verspreiding beinvloeden.
ontdekte patronen; prevalentie ligt hoog van 0 tot 18 jarige, ongeveer 10% heeft
ernstige problemen (prevalentie van specifieke stoornissen ligt lager)
problemen hangen nauw samen met demografische variabelen (geslacht
(hogere cijfers bij jongens door meer vertoon van externaliserende problemen),
leeftijd, SES)
meeste gedragsproblemen zijn vrij stabiel, optijd ingrijpen is belangrijk
1.5
verklaringsmodellen;
ontwikkelingspsychopathalogie; problemen zijn het product uit een lange
voorgeschiedenis waar verschillende factoren/risicomodellen (ecologische,
multifactoriële, cumulatieve) elkaar continu hebben beïnvloed.
uitgangspunten van deze modellen; multicausaliteit van gedragsproblemen
(probleem is een gevolg van een combinatie van factoren), operationalisering in
termen van risicofactoren en protectieve factoren (houden gedragsproblemen in
stand, of hinderen en beperkende factoren (en de mate van veranderbaarheid
van deze factoren speelt ook een grote rol)), cumulatiehypothese (meer risico
,dan protectieve factoren waardoor de kans op ontwikkeling van
gedragsproblemen groter wordt)
chronic adversities; chronisch negatieve levensomstandigheden (bijv
kindermishandeling of gedwongen migratie)
biologische verklaringsmodellen;
- risicogenassociatiestudies; dmv pathofysiologische kennis het verband tussen
risicogenen en de aanwezigheid van problemen onderzoeken in grote
steekproeven
- genoomwijdeassociatiestudies; hypothesevrij een verband opsporen
genetische kenmerken beinvloeden het gedrag via een reeks tussenliggende
structuren, fucties en machanismen.
neuroanatomische invalshoek; problemen verklaren vanuit disfuncties in
hersenstructuur (bijv verstoring in limbisch systeem speelt rol in
gedragsregulatie)
neurofunctionele invalshoek; gedragsproblemen verklaren door niet-optimale
activatie van hersenregio's
neurochemische invalshoek; relatie tussen chemische processen in de hersenen
en gedrag. (disregulatie zorgt voor problemen)
gedrag als resultaat van een leerproces; klassieke (voorwaardelijke en
onvoorwaardelijke prikkel(altijd gevolgd door negatieve emotie,
onvoorwaardelijke reactie)) en operante conditionering (reactie op stimuli
(discriminatieve stimulus), reinforcing stimuli zijn gevolgen.
theorie sociaal leren van patterson; gedrag is resultaat van leerproces tussen
opvoeder en kind. In interacties vormen vaste patronen.
- coërcieve/dwingende omgang; kind domineert interactie door bijvoorbeeld
agressief gedrag te vertonen
belangrijkste opvoedingsgedragingen; monitoring (op de hoogte zijn),
consequent straffen, hanteren van duidelijke regels, positieve betrokkenheid en
bekrachtiging.
pathalogisch-disfunctionele gezinsrelaties; chaotisch of té hecht.
gehechtheidstheorie; Onderzoek toont aan dat als kinderen via opvoeding en
door de aanwezige gezinsdynamieken leren dat ze niet kunnen vertrouwen op de
ouders als een beschikbare bron van steun wordt de kans groter dat ze
problemen zullen ontwikkelen. (veilig, onveilig/ vermijdend/angstig gehecht)
de zorg door ouders beinvloed de stressgevoeligheid van kinderen, als ouders
niet responsief reageren is de kans groter op meer stress op latere leeftijd.
ADHD; neuro ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door een stabiel en pervasief
patroon van aaandachtsproblemen en hyperactiviteit en impulsiviteit met
beperkingen in sociaal functioneren. (nature grotere invloed dan nurture).
, Onderactivatie van de prefrontale en striatale hersenregios zijn gerelateerd aan
adhd typisch disfunctioneren.
ADHD kent geen determinisme, de kwetsbaarheid wordt dmv omgeving
geactiveerd. Omgevingsfactoren kunnen pre, peri, of post nataal (ook
bijvoorbeeld ouders met ADHD kunnen in de opvoeding minder structuur
aanbrengen en dat resulteert daardoor bij kinderen met genetische
kwetsbaarheid voor ADHD in meer druk en impulsief gedrag) zijn.
1.6
onderkennende of classificerende diagnostiek
- is het een gedrags of emotioneel probleem? - voor onderkennende diagnose
hulpmiddelen; het verkennende interview, vragenlijsten zoals Child Behaviour
checklist(uit ASEBA)
verklarende diagnostiek
- condities op sporen die een probleem veroorzaken of in stand houden,
verklarende aspecten komen aan bod binnen de gerichtheid op behandeling.
behandelingsgerichte diagnostiek
- om inzicht te verkrijgen in verschillende factoren die samenhangen met de
problemen en achterhalen hoe je deze kunt verminderen.
- indicatiestelling staat centraal (zoeken naar de meest gepaste behandeling
voor de problematiek)
verschillende benaderingen; cognitief-behavouristisch, psychodynamisch,
systeem
1.7
aspecten van behandeling; doel is lijdensdruk bij kind enomgeving wegnemen en
kwaliteit van leven verbeteren behandelingsvorm is beter wanneer hij kan
steunen op empirisch vastgestelde effecten (als uit gecontroleerde studies blijkt
dat hij leidt tot een positief effect)
evidence-based ; gunstige resultaten uit behandeling
effect-ladder; bepaald de kwaliteit van een interventie, hoe hoger op de ladder,
hoe meer bewezen haar effect.
5 traptreden; descriptieve (geen bewijs), theoretische, eerste empirische, goede
empirische, sterke empirische aanwijzingen.
multimodale behandeling is belangrijk, problemen hangen samen met meerdere
factoren in kind, omgeving en gezin.
theoretische perspectieven;
- psychodynamische visie, intrapsychische problemen uit het verleden op lossen
kritiek; therapie is intensief, langdurig en erg duur, weinig rekeing met
veranderende omgeving en effect is weinig aangetoond
- cognitieve gedragstherapeutische behandelingsmodel; problemen bij kinderen
zijn een tekort aan gedrag of een teveel aan gedrag (bijv, sociale vaardigheden
of tics) en daarbij verkeerde leerervaring.
problematische opvoedingssituaties zijn ecologisch en interactioneel
- intern; opvoeder ziet de ontwikkeling als problematisch, het resulteert niet in
het bereiken van gewenste opvoedingsdoelen
- extern; een belangrijke buitenstaander (bijv, politieagent of leerkracht) ziet de
ontwikkeling van een kind als problematisch en vind deze ongewenst resultaten
een gevolg van bepaald opvoedgedrag van de ouders.
- oorzaken; opvoeding ouders (primair), kenmerken van het kind, de ouder of de
maatschappij (secundair) of een interactie van beide
-Orthopedagogiek is een handelingswetenschap: op basis van een grondige en
systematische wetenschappelijk gefundeerde diagnostische beeldvorming van
de problemen en de context, worden op een planmatige wijze acties
ondernomen, met een duidelijke specificatie van doelstellingen, strategieën en
evaluatiewijzen.
-Daarbij wordt gewerkt vanuit een holistische visie: door interventies trachten bij
te dragen aan de ontwikkelings- en ontplooiingskansen en de kwaliteit van leven,
zowel van het individu in alle aspecten van haar functioneren als van haar
context.
1.2
kinderen met gedrags- en emotionele problemen: alle kinderen die zich zichtbaar
ongewoon of abnormaal gedragen of ongewone en abnormale emoties vertonen
en dat afgezien van de ernst de oorzaak of de context van het gedrag of de
emotie.
onderscheid;
- lichte / tijdelijke problemen
- gedragingen bij bepaalde situaties/personen
- gedragingen die leeftijds/fase gebonden zijn
- ernstige problemen (oppositioneel opstandig gedrag,
aandachtstekort/stemming stoornissen)
- ernstige problemen: langdurig/blijvend, combinatie met andere problemen,
ernstig lijden tot gevolg bij kind en/of directe omgeving
alvorens een gedrag problematisch te benoemen dient men rekening te houden
met het ontwikkelingsperspectief, de continuümgedachte (verschil maken tussen
normale en problematisch gedragingen dmv intensiteit, frequente en duur), de
context en de informant (de beoordelaar)
1.3
classificatie; systematisch ordenen en groeperen van gedragsproblemen op
basis van gelijke eigenschappen en onderlinge relaties. (= niet diagnose, die
zoomt in op individuele problematiek)
classificatiesystemen;
- klinisch psychiatrisch; psychiatrische stoornissen zijn onafhankelijke en
duidelijk afgelijnde ziekte-entiteiten
,bekende systemen; DSM en ICD (beschrijven problematieken en classificeren in
stoorniscategorieën) Systemen geven overzicht van alle erkende klinische
geestelijke gezondheidszorgstoornissen en andere aandoeningen. Deze worden
beschreven in termen van cognitie, emotieregulatie en gedrag. (gevolg = lijden
persoon/omgeving, disfunctioneren)
ICD heeft aanvulling ICF voor functioneren personen met aandoening als gevolg
van uitwisseling tussen persoons en omgevingsgebonden kenmerken
criteria; kernsymptomen, duur / aanvang symptomen, mate van verstoring dmv
symptomen
kritiek op systemen; alles of niets karakter (gedecontextualiseerd gebruik, te
veel gekeken vanuit medisch model) niet duidelijk voor andere culturen
(westerse concepten)
- empirisch-statistisch classificatiesysteem ; steunen op multivariate analyses op
gegevens verzameld uit grote steekproeven met kinderen (meestal uit
gedragsvragenlijsten (CBCL, TRF, YSR), hierin worden probleemgedragingen
beoordeeld door ouders, leerkrachten en jongeren) de uitgevonden uitkomsten
zijn verdeeld in syndroomschalen voor een globale indruk van de problematiek.
syndroomschalen; teruggetrokken/depressief, lichamelijke klachten,
angstig/depressief, sociale problemen, denkproblemen, aandachtsproblemen,
normafwijkend gedrag en agressief gedrag. (eerste drie ziijn internaliserend en
de laatste twee externaliserend)
ASEBA systeem is dimensionaal, en genormeerd. Vanaf een bepaalde score is er
sprake van een ernstig afwijkend probleem.
kritiek; dimensionele karakter en de comorbiditeit tussen syndroomschalen leidt
tot minder scherpe diagnosestelling
1.4
epidemiologie; studie naar prevalentie en verspreiding van ziekte of toestand en
factoren die verspreiding beinvloeden.
ontdekte patronen; prevalentie ligt hoog van 0 tot 18 jarige, ongeveer 10% heeft
ernstige problemen (prevalentie van specifieke stoornissen ligt lager)
problemen hangen nauw samen met demografische variabelen (geslacht
(hogere cijfers bij jongens door meer vertoon van externaliserende problemen),
leeftijd, SES)
meeste gedragsproblemen zijn vrij stabiel, optijd ingrijpen is belangrijk
1.5
verklaringsmodellen;
ontwikkelingspsychopathalogie; problemen zijn het product uit een lange
voorgeschiedenis waar verschillende factoren/risicomodellen (ecologische,
multifactoriële, cumulatieve) elkaar continu hebben beïnvloed.
uitgangspunten van deze modellen; multicausaliteit van gedragsproblemen
(probleem is een gevolg van een combinatie van factoren), operationalisering in
termen van risicofactoren en protectieve factoren (houden gedragsproblemen in
stand, of hinderen en beperkende factoren (en de mate van veranderbaarheid
van deze factoren speelt ook een grote rol)), cumulatiehypothese (meer risico
,dan protectieve factoren waardoor de kans op ontwikkeling van
gedragsproblemen groter wordt)
chronic adversities; chronisch negatieve levensomstandigheden (bijv
kindermishandeling of gedwongen migratie)
biologische verklaringsmodellen;
- risicogenassociatiestudies; dmv pathofysiologische kennis het verband tussen
risicogenen en de aanwezigheid van problemen onderzoeken in grote
steekproeven
- genoomwijdeassociatiestudies; hypothesevrij een verband opsporen
genetische kenmerken beinvloeden het gedrag via een reeks tussenliggende
structuren, fucties en machanismen.
neuroanatomische invalshoek; problemen verklaren vanuit disfuncties in
hersenstructuur (bijv verstoring in limbisch systeem speelt rol in
gedragsregulatie)
neurofunctionele invalshoek; gedragsproblemen verklaren door niet-optimale
activatie van hersenregio's
neurochemische invalshoek; relatie tussen chemische processen in de hersenen
en gedrag. (disregulatie zorgt voor problemen)
gedrag als resultaat van een leerproces; klassieke (voorwaardelijke en
onvoorwaardelijke prikkel(altijd gevolgd door negatieve emotie,
onvoorwaardelijke reactie)) en operante conditionering (reactie op stimuli
(discriminatieve stimulus), reinforcing stimuli zijn gevolgen.
theorie sociaal leren van patterson; gedrag is resultaat van leerproces tussen
opvoeder en kind. In interacties vormen vaste patronen.
- coërcieve/dwingende omgang; kind domineert interactie door bijvoorbeeld
agressief gedrag te vertonen
belangrijkste opvoedingsgedragingen; monitoring (op de hoogte zijn),
consequent straffen, hanteren van duidelijke regels, positieve betrokkenheid en
bekrachtiging.
pathalogisch-disfunctionele gezinsrelaties; chaotisch of té hecht.
gehechtheidstheorie; Onderzoek toont aan dat als kinderen via opvoeding en
door de aanwezige gezinsdynamieken leren dat ze niet kunnen vertrouwen op de
ouders als een beschikbare bron van steun wordt de kans groter dat ze
problemen zullen ontwikkelen. (veilig, onveilig/ vermijdend/angstig gehecht)
de zorg door ouders beinvloed de stressgevoeligheid van kinderen, als ouders
niet responsief reageren is de kans groter op meer stress op latere leeftijd.
ADHD; neuro ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door een stabiel en pervasief
patroon van aaandachtsproblemen en hyperactiviteit en impulsiviteit met
beperkingen in sociaal functioneren. (nature grotere invloed dan nurture).
, Onderactivatie van de prefrontale en striatale hersenregios zijn gerelateerd aan
adhd typisch disfunctioneren.
ADHD kent geen determinisme, de kwetsbaarheid wordt dmv omgeving
geactiveerd. Omgevingsfactoren kunnen pre, peri, of post nataal (ook
bijvoorbeeld ouders met ADHD kunnen in de opvoeding minder structuur
aanbrengen en dat resulteert daardoor bij kinderen met genetische
kwetsbaarheid voor ADHD in meer druk en impulsief gedrag) zijn.
1.6
onderkennende of classificerende diagnostiek
- is het een gedrags of emotioneel probleem? - voor onderkennende diagnose
hulpmiddelen; het verkennende interview, vragenlijsten zoals Child Behaviour
checklist(uit ASEBA)
verklarende diagnostiek
- condities op sporen die een probleem veroorzaken of in stand houden,
verklarende aspecten komen aan bod binnen de gerichtheid op behandeling.
behandelingsgerichte diagnostiek
- om inzicht te verkrijgen in verschillende factoren die samenhangen met de
problemen en achterhalen hoe je deze kunt verminderen.
- indicatiestelling staat centraal (zoeken naar de meest gepaste behandeling
voor de problematiek)
verschillende benaderingen; cognitief-behavouristisch, psychodynamisch,
systeem
1.7
aspecten van behandeling; doel is lijdensdruk bij kind enomgeving wegnemen en
kwaliteit van leven verbeteren behandelingsvorm is beter wanneer hij kan
steunen op empirisch vastgestelde effecten (als uit gecontroleerde studies blijkt
dat hij leidt tot een positief effect)
evidence-based ; gunstige resultaten uit behandeling
effect-ladder; bepaald de kwaliteit van een interventie, hoe hoger op de ladder,
hoe meer bewezen haar effect.
5 traptreden; descriptieve (geen bewijs), theoretische, eerste empirische, goede
empirische, sterke empirische aanwijzingen.
multimodale behandeling is belangrijk, problemen hangen samen met meerdere
factoren in kind, omgeving en gezin.
theoretische perspectieven;
- psychodynamische visie, intrapsychische problemen uit het verleden op lossen
kritiek; therapie is intensief, langdurig en erg duur, weinig rekeing met
veranderende omgeving en effect is weinig aangetoond
- cognitieve gedragstherapeutische behandelingsmodel; problemen bij kinderen
zijn een tekort aan gedrag of een teveel aan gedrag (bijv, sociale vaardigheden
of tics) en daarbij verkeerde leerervaring.